Bid, bid voor de burger; Benno Barnard tussen romantische droom en duffe werkelijkheid

Benno Barnard: Tijdgenoten. Uitg. Atlas, 44 blz. Prijs ƒ 19,90.

Benno Barnard heeft, in zijn essaybundel Tijdverdrijf voor enkle fijne luiden (1987), wel eens beweerd dat de werking van veel goede poëzie berust op 'de allerindividueelste expressie van een alleralgemeenste emotie'. Over individu en collectief wordt in zijn nieuwe dichtbundel Tijdgenoten veel nagedacht. Barnard zou wel willen dat in zijn eigen gedichten ik, iemand en iedereen werden samengebracht, in deze variant op zijn eerdere uitspraak: 'Mijn onpersoonlijke stem van iemand zij / de intieme stem van iedereen.'

Voor zo'n dichter is de geschiedenis niet een verzameling anekdoten, maar een mengsel van herinnering en vrije verbeelding. 'Het is historisch / en niet waar' deelde hij al in het eerste gedicht van zijn quasi autobiografische bundel Klein Rozendaal (1983) mee. 'Het is zo, want ik droom het toch.' Deze dichterlijke verhouding tot het verleden heeft hem nog steeds niet verlaten. 'Alles wat ik doe / is gedenken', zegt hij in Tijdgenoten, 'alles wat ik zeg is waar / doordat ik het verzin.'

Wie of wat is het 'ik' dan nog? Al in het eerste gedicht van zijn eerste bundel Een engel van Rossetti (1981) sprak hij zichzelf toe als 'het jongetje Jij'. Barnard goochelt in Tijdgenoten nog steeds met de persoonlijke voornaamwoorden. In het eerste gedicht richt een personage zich in een bijzin tot 'de verteller, / en dat bent u'. In het laatste gedicht spreekt de dichter namens 'wij', maar hij laat er op zijn beurt tussen haakjes op volgen: '(dat bent u)'.

bpHiermee zijn alvast enkele thema's uit Barnards nieuwe bundel gegeven: persoonlijke en algemene geschiedenis, openbaar en privé, herinnering en verbeelding, problematisch ik-besef en problematisch werkelijkheidsbesef. Hiermee is ook alvast aangegeven dat Barnard een echte oeuvre-bouwer is. Ook onderwerpen uit zijn verhalenbundels zijn in Tijdgenoten terug te vinden. Dat is mooi, en dat zorgt er inmiddels voor dat de eigen biografie al haast vanzelf de trekken van een eigen mythologie aanneemt en een bovenpersoonlijke meerwaarde krijgt. Daar gaat het Barnard om: om Het meer in mij, zoals de titel van zijn voorlaatste, al weer acht jaar geleden verschenen bundel luidde.

xpZo bezien bevat Tijdgenoten weinig nieuws, maar dat is toch niet waar. Barnard heeft zich hier in de vorm bevrijd uit zijn vroegere keurslijf. Tijdgenoten bevat, verdeeld over drie afdelingen, veertien gedichten die zich alle veertien over twee pagina's uitstrekken. Gemiddelde lengte zo'n veertig regels. Geen strofering, geen rijmschema (wel volop rijm), soepele regelval. Het is, zeker in vergelijking met zijn eerste drie bundels, een vrije vorm waarin ook de essayist en de verhalenschrijver zich thuis kunnen voelen. Zij biedt volop ruimte voor hardop praten, voor gedachten en vooral gedachtenontwikkeling, voor terzijdes, uitweidingen en essayistische passages.

Toch schuilt daar ook wel het probleem dat ik met deze bundel heb. Het denkende gehalte is hoog, maar eerlijk gezegd weet ik niet goed wat de inzet van zijn gedenk is. Er vallen genoeg lijnen te trekken, motieven aan te wijzen en spiegelingen op te merken tussen de verschillende gedichten en afdelingen. Daardoor wordt de indruk van een hecht netwerk gewekt, opgezet om een of meer uitspraken kracht bij te zetten. Maar over de aard van die uitspraken ben ik niet zeker. Erg eenduidig zijn ze in ieder geval niet. Het is dan ook wel te begrijpen dat de dichter op een gegeven moment aan de 'Heer van de poëzie' vraagt: 'laat mij één ondubbelzinnige bladzij / schrijven.'

In het eerste gedicht kan een negentiende-eeuws meisje in een zonnig Arles nog een hand uitstrekken 'naar de tastbare poëzie / van een liefdesbrief'. Maar daarna valt de deur van die eeuw dicht, daarna zet de verbrokkeling in en is het ook gedaan met de tastbare poëzie. De 'ik' spreekt over 'mijn narcistische niemand', maar ook over zijn uitdijende ego. Zijn grootvader maakt hem postuum duidelijk dat hij niets heeft meegemaakt en dat zijn narcisme een vorm van ketterij is. Deze grootvader vat 'het wezen van onze eeuw' samen in de nogal komische opdracht 'Bid, bid voor de burgerij'. En dat leidt bij de kleinzoon weer tot het angstige besef dat hij maar een van de velen is, deel uitmakend van 'een allesomvattend verhaal / over ons en niet over mij.'

Zie ik het goed, dan groeit de bundel door de hele twintigste eeuw heen langzaam naar het heden en naar een doffe aanvaarding daarvan. In het voorlaatste gedicht bevinden we ons in 'deze jaren negentig', is het 'vandaag' en wordt het 'onze tijd'. Ook al weet de dichter wel dat wij om te beginnen 'niemand' zijn, hij wil toch 'vandaag' en 'hier, op dit schiereiland, / mijn eigen stem verheffen'. Hij schippert tussen romantische droom en duffe werkelijkheid, gesymboliseerd in een sloom laverende duif in de regen: 'Geen droom, / geen heimwee naar de onsterfelijkheid / bewoog hem.' Moet er tussen die twee gekozen worden? Blijkbaar niet, want het gedicht besluit met de hulpeloze vraag: 'Wat moeten wij doen vandaag?'

Het slotgedicht zou dan het antwoord moeten geven, maar ook daarin hult Barnard zich liever in vage suggesties van dood en duisternis, of van god en religie of misschien toch maar gewoon van levensaanvaarding: opstaan, ontbijten, krantje lezen, gevolgd door 'de dag, heel die vulgariteit / van geluk dat geen ongeluk is.' Daar moeten wij het vandaag dan maar mee doen.

    • Guus Middag