ABB bezig met waagstuk op nieuwe groeimarkten

KOPENHAGEN, 11 MAART. De dramatische winstval over 1993 die het Zweeds-Zwitserse concern Asea Brown Boveri (ABB) gisteren bekendmaakte, geeft een heel verkeerd beeld van de gang van zaken in het bedrijf. In werkelijkheid is ABB, gespecialiseerd in moderne energiesystemen, transporttechniek en machinebouw, bezig met een radicale verplaatsing van activiteiten naar groeimarkten in het Verre Oosten en Oost-Europa om de negatieve effecten van de recessie in te perken.

Daarmee gaven de captains van ABB in Zürich en Stockholm blijk van een grote flexibiliteit. Ze hebben hun aandeelhouders, de holdings Asea en Brown Boveri, tot tevredenheid en vertrouwen in de toekomst weten te bewegen door het dividend van tweemaal 170 miljoen Zwitserse francs aan de reserves te onttrekken. Ondanks de gekelderde netto winst die over 1993 68 miljoen dollar bedroeg tegen 528 miljoen dollar in 1992.

In één boekjaar heeft ABB de kosten van een drastische afslanking in Noord-Amerika en West-Europa, die bijna 600 miljoen dollar bedroegen, als buitengewone lasten op zijn winst in mindering gebracht. Exclusief die herstructureringskosten steeg het bedrijfsresultaat met 20 procent. In een aantal van de 140 landen waar ABB actief is - onder andere Nederland - namen de winstmarges af, maar over het geheel wist het concern een stijging van de marge met 7,7 procent te boeken. En menige Westerse industriële onderneming zal met afgunst de stijging van ABB's rendement op geïnvesteerd vermogen van 15,4 procent in 1992 tot 16,1 procent in 1993 noteren.

Consolidatie en selectieve groei waren gisteren de kernbegrippen die president-directeur Percy Barnevik hanteerde, toen hij in sneltreinvaart zijn jaarcijfers presenteerde. Terwijl ABB in Noord-Amerika en West-Europa vijftien fabrieken sloot werden meer dan tweemaal zoveel nieuwe bedrijven, deelnemingen en joint ventures, voornamelijk in het Verre Oosten en Oost-Europa, aan de lijst toegevoegd. Per saldo bleef de waarde van de assets (eigendommen) daarmee ongeveer gelijk en de hele operatie leidde tot een produktiviteitsstijging van 6 procent.

ABB voert in Oost-Europa een waagstuk uit, door te investeren in Tsjechië, Rusland, Oekraïne, en een reeks andere republieken, waar een sterk groeiende markt wordt verwacht in de energie- en transportsector. Raffinaderijen en elektriciteitscentrales moeten in die regio drastisch worden gemoderniseerd. Barnevik zei het risico dat deze landen voorlopig geen geld hebben om de rekeningen te betalen op de koop toe te nemen, want verbetering van de verouderde en lekkende instalaties kan snel worden terugverdiend door een veel hogere opbrengst. Vooral Rusland kan door een investeringsimpuls in staat worden gesteld zijn deviezeninkomsten uit de export van olie en gas en een efficiëntere elektriciteitsproduktie drastisch op te voeren. Hulp van instanties als de Oost-Europabank komt nog maar mondjesmaat op gang, vond de ABB-topman, die een dringend beroep deed op de Westerse regeringen om meer risicodragend kapitaal ter beschikking te stellen. Economische groei in een land als Oekraïne, is hèt middel om de grote afhankelijkheid van de grote buur Rusland te verminderen, zei hij.

ABB is na een periode van stormachtige groei na de fusie van Asea en Brown Boveri in 1988 nu in een consolidatiefase terechtgekomen, maar met de omschakeling in 1993 laat het concern zien over een opmerkelijke lenigheid te beschikken waarmee het zich aanpast aan de sterk veranderde marktomstandigheden. Tussen 1988 en 1993 vertoonden zowel de omzet als het bedrijfsresultaat een bijna constant oplopende lijn, evenals de investeringen. Dat geldt ook voor de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling, die in zes jaar tijd bijna zijn verdubbeld.

Vorig jaar daalde de omzet in West-Europa met 12 procent en in Noord-Amrika met 4 procent, terwijl in Midden- en Oost-Europa en stijging van 32 procent werd geboekt en in het Verre Oosten met 17 procent. De Nederlandse ABB-bedrijven vormen daarop een gunstige uitzondering, met een lichte stijging van de omzet. Maar ondanks een sterke orderpositie voor moderne warmte-krachtcentrales voor elektriciteitsopwekking bracht de operatie kostenvermindering in Nederland ook een daling van het personeelsbestand met zich mee, van 9 procent tot een totaal aantal werknemers van 1.144. De uitstoot van vele duizenden werknemers in het Westen en de sterk stijgende werkloosheid in het algemeen bleek gisteren de ABB-bestuurders niet onverschillig te laten, want dat zal hun marktaandeel verder doen dalen en brengt hoge sociale kosten met zich mee. “Dit is het grootste en lastigste probleem waar het Westen ooit voor heeft gestaan. Ik ben blij dat ik geen politicus ben”, zei de Zweedse ABB-topman Sune Carlsson.