Witte uitbloei

Het plaatje hieronder is geen goede illustratie al is het op zichzelf geen slechte foto. Men ziet er een onderzoek aan vulpeninkt en fineliner-kleurstof dat met de meest eenvoudige hulpmiddelen is uitgevoerd volgens de zogeheten papierchromatografie-methode. Water uit een bodempje water in een jampot stijgt op in strookjes krantepapier en neemt kleurstoffen mee uit de inktvlekken die helemaal onderaan het papier waren aangebracht. Niet alle kleur-ingrediënten lopen even hard, sommige willen helemaal niet weg uit de startvlek, andere houden gelijke tred met het waterfront tot boven in de potopening en een enkele zit er tussenin. De gebruikte scheidingsmethode toonde aan dat de zwarte vulpeninkt niet alleen een zwarte maar ook een violette en gele component had en dat de fineliner-vulling monochroom was.

Tezijnertijd wordt op deze plaats nog eens de foto getoond die er eigenlijk had moeten staan: een afbeelding van de karakteristieke witte uitslag die men, vooral tegen het einde van de winter, op veel nieuwe bakstenen gevels aantreft. Soms als een diffuse witte uitslag die een groot oppervlak bedekt, soms in de vorm van smalle maar heldere banden of bogen. Wat s dat toch, wilde een lezer weten, en klopt het dat je het tegenwoordig meer ziet dan vroeger?

De geveluitslag, die in bouwkringen vaak - maar ten onrechte - salpeteruitslag wordt genoemd, is een aardig voorbeeld van een fenomeen dat zo bekend is dat weinigen nog aan nader onderzoek beginnen. De relatie met vers metselwerk is zo opvallend dat het effect gewoonlijk - maar alweer ten onrechte - aan het harden van de cement wordt toegeschreven.

Voor advies over bouwproblemen is er het Bouwcentrum in Rotterdam, maar juist deze week was de uitslagspecialist onbereikbaar. Ook bij de verenigde baksteenindustrie in De Steeg was de salpeterman niet op de werkplek. In een telefonisch consult zag men daar sowieso geen heil. 'Je moet oppassen voor een lulverhaal in de krant'', zegt de ad hoc woordvoerder van het Koninklijk verbond van Nederlandse baksteenfabrikanten die wel zeggen wil dat de geveluitslag niets met de kwaliteit van het metselwerk of de stenen heeft te maken.

De gamelankenner van de baksteenuitslag blijkt bij TNO-Bouw in Rijswijk te zitten. Ing. L.J.A.R. van der Klugt ziet kans in een college van een kwartier de meest voorkomende gevallen te verklaren. Want er bestaan verschillende vormen van 'zoutuitbloei', al is 'witte uitbloei' de meest algemene.

De term 'salpeteruitslag' slaat nergens op, dat staat vast. Een uitslag van salpeter (kaliumnitraat) is alleen te verwachten op metselwerk waarachter en waartegen een zware mesthoop (of ander organisch afval) ligt te composteren. In de bouw is nitraatuitslag zeldzaam omdat metselmortel en baksteenklei vrijwel geen nitraten bevatten en nitraten bovendien goed oplosbaar zijn. Regenwater zou ze snel afvoeren. In een enkel geval kan het regenwater ze juist doen ontstaan omdat het water zelf tegenwoordig nogal wat stikstofverbindingen bevat. Dan vindt men kristallen calciumnitraat op de muur.

De meeste witte uitbloei bestaat uit calciumcarbonaat dat uit verhardende cement in een reactie met het kooldioxyde uit de lucht gevormd wordt. Gewone metselmortel is vanzichzelf al calciumhoudend, maar de niet zeldzame bastaardmortel (cement-kalk mortel) bevat een extra hoeveelheid calcium dat als calciumhydroxyde ('vrije kalk') extra makkelijk naar buiten treedt en vervolgens 'carbonateert'. Het aardige is dat het hoge koolzuurgehalte van regenwater het aanvankelijk gevormde slecht oplosbare carbonaat van lieverlee omzet in bicarbonaat dat wel goed oplost. Op den duur zal de regen ook deze uitbloei dus wegspoelen. Het veel hardere leidingwater doet dat niet.

Veel hardnekkiger dan de carbonaatuitbloei die van de mortel komt is de sulfaatuitbloei die door sommige bakstenen wordt veroorzaakt. Bakstenen kunnen langs twee wegen een hoog sulfaatgehalte krijgen. Soms is de gebruikte kleisoort van zichzelf zwavelhoudend (maar Nederlandse kleiën zijn wat dat betreft tamelijk schoon) maar meestal komt het zwavel er pas later in terecht: in de baksteenoven die gestookt wordt op een zwavelhoudende brandstof zoals zware olie of slechte steenkool. Vooral als de steen sterk calciumhoudend is kan veel SOuit de verbrandingsgassen worden opgenomen.

De Nederlandse steenovens worden gestookt op zwavelvrij aardgas en zo komt het dat de baksteenindustrie kan beweren dat ze het probleem van de 'zoutuitslag' (carbonaatuitslag noemt men 'kalkuitslag') onder de knie heeft gekregen. Alleen uit de Achterhoek en Oost-Groningen komt nog vuile klei. Of de mogelijk aanwezige sulfaten ook aan de oppervlakte zullen verschijnen is afhankelijk van de vochthuishouding van een metselwerk.

Een vierde vorm van zoutuitslag ontstaat uit optrekkend of doorslaand grondwater of bodemvocht. Gewoonlijk bevindt deze, soms zeer uitbundige, uitslag zich dus dicht bij of beneden het maaiveld. Bij gemetselde kademuren zijn ze voor elke voorbijganger zichtbaar. Ander voorbeeld: de witte uitslag op aardewerken bloempotten waar Pokon-plantemest en leidingwaterkalk door de potporiën naar buiten treden.

De meeste uitbloei dankt zijn verschijnen aan het regenwater en is het meest opvallend aan het eind van een natte periode waarin de verdamping gering was. In de zomer kan een gevel zo snel opdrogen dat het op gang gekomen zouttransport steeds onder het oppervlak eindigt. Goedbeschouwd is dat nog erger dan zichtbare zoutafzetting. Het opgehoopte zout kan, bij nieuwe bevochtiging, van kristalvorm veranderen, zwellen en hele schollen metselwerk wegduwen. Zouten kunnen dus wel degelijk een kwaliteitsprobleem worden. Omdat hier vrijwel geen buitenlandse bakstenen worden gebruikt en de Nederlandse stenen zo goed zijn geworden beperken de zwaarste problemen zich eigenlijk tot monumenten.

Kenners als Van der Klugt onderscheiden de verschillende zoutuitbloeien aan hun verschijningsvorm. Carbonaten zitten vaak alleen aan de rand van de stenen, de sulfaten kunnen de hele steen bedekken. In bijzondere gevallen wordt dit patroon doorbroken en ontstaan staaltjes van chromatografie die veel weg hebben van het hierboven besproken inktonderzoek. Vanaf een centraal punt, een lekkende dakgoot of regenpijp bij voorbeeld, trekt voortdurend regenwater door de muur dat alle voorhanden zijnde zout op zijn weg meevoert. In een perifere zone (het vochtfront) waar de wateraanvoer in evenwicht raakt met de verdamping kan dan een dikke zoutlaag neerslaan. Helder witte banden en bogen wijzen dus op fouten in ontwerp of uitvoering van een bouwwerk. Het kan zijn dat die wat algemener worden.

    • Karel Knip