Wintersport

's Morgens in de spiegel kijkend naar zijn zanderig gegroefd hoofd, leeftijdloos, uitdrukkingloos behalve een vleug droefheid, dacht hij vaak 'Kom nu, tranen'. Hij bracht het nooit verder dan een droge snik als hij 's avonds laat vanaf het tv-scherm stralend werd toegelachen door een jonge vrouw.

Twintig jaar gaf hij les nu, of negentien of tweeëntwintig, en minstens vijftien nog moesten er volgen. Hoe kon hij dit leven door leven? Ieder jaar werden de kinderen voor hem vreemder, schimmiger. Hij wilde en kon niets vaststellen van hun aard, was niet in staat individuele persoonlijkheden te onderscheiden. Steeds slechter kon hij zich met hen in verbinding stellen, met ze communiceren, een gemeenschappelijke belangstelling vinden. Deze wezens die in de loop der jaren steeds minder gevoel van verwantschap bij hem opriepen, kregen alleen markante trekken door hun gemelijkheid, hun nauwelijks onderdrukte hatelijkheden, hun wangedrag.

De schijnbaar opgewekte conversaties met collega's in de pauze liet hij achterwege. Hij wachtte in eenzaamheid omringd door mensen op de bel, bewoog zich traag naar het lokaal, wachtte op de leerlingen, wachtte op stilte die ondanks vriendelijke en minder vriendelijke verzoeken eigenlijk altijd uitbleef, zette zijn spreekorgaan aan en wachtte weer tot de volgende bel. Een leven alleen tussen een menigte andere levens vol eindeloze sleur, verveling en walging.

Zo nu en dan was er uitwisseling van informatie, een gesprek was een te groot woord, met een vakcollega dat steeds vaker een kribbige wending kreeg door verschil van mening over de weinige gemeenschappelijke taken.

's Avonds drukte de last van het werk nog meer. Hoe kreeg hij de onbeduidende kriebels van zijn leerlingen gecorrigeerd? Hoe was het mogelijk enig belang te hechten aan hun schrijfsels, niet eens hun eigen creatie, die geen mens ooit meer onder ogen zou krijgen? Tegelijkertijd viel het hem van dag tot dag, week tot week, jaar tot jaar, zwaarder de eindeloze twijfel bij het gebruik van de rode pen te overwinnen. Als er geen nakijkwerk lag, kon hij uren staren naar de te bekende teksten van het leerboek zich afvragend hoe hij de volgende dag door moest komen.

Er waren momenten van verlichting. Juist als de anderen er niet waren, drukte de eenzaamheid minder. 's Avonds laat, een zondagochtend, achterin de tuin. Dan vroeg hij zich af waarom met zo weinig ongeluk iemand zo ongelukkig kan zijn. Tijdens de vakanties verdween de walging. Dan ging hij weg, ver weg, bij voorkeur vliegend. Als het vliegtuig boven het wolkendek uitsteeg en het felle licht door de kleine raampjes kletterde, voelde hij vrede, blijdschap zelfs.

Op deze zonnige wintermiddag snelde hij naar het Zuiden, direct na de bel vertrokken voor een wintersportvakantie. Een dag later stond hij in hetzelfde licht dat hij kende van tienduizend meter hoogte in het vliegtuig. Hij suisde van de hellingen, blauw boven, wit onder hem. Als in school trokken honderden schimmen over zijn netvlies. Het was druk.

Verder in de week verslechterde het weer tot zijn blijdschap. Schijnbaar alleen gleed hij, turend in de prikkende vlokken die op hem afstoven, over de witte sneeuw welke zonder enig contrast overging in de witte lucht. Waarom zou hij niet volstrekt licht en moeiteloos recht doorbewegend, deel kunnen worden van deze wereld? Er was een harde klap, maar daarna vloog hij in steeds witter wit.

In de koffiekamer van het crematorium vol leerlingen en docenten heerste een sfeer van onderdrukte opgewektheid: het ongeval was triest, maar een nuttige bijdrage aan de goede sfeer op school.

    • Rob Knoppert