Weer 'levend water' in de Biesbosch-delta

Staatssecretaris Gabor (natuurbeheer) heeft vandaag de Biesbosch tot nationaal park verheven. Dat betekent meer geld voor een zoetwaterdelta die haar oorspronkelijke karakter verloor maar misschien weer terugkrijgt.

WERKENDAM, 10 MAART. Ooit was de Biesbosch het domein van naamloze 'grienduilen': arbeiders uit de omtrek die de takken van de wilgen hakten. Het moerassig natuurgebied op de grens van Zuid-Holland en Brabant werd nog beheerst door eb en vloed. 'Land van het levende water' heet een boek over de Biesbosch uit die tijd, en een ander 'Land van namelozen'. De griendwerkers zijn waarschijnlijk voorgoed verdwenen, maar de kans dat de wisseling der getijden terugkeert, is verre van denkbeeldig. Dit zou de status van nationaal park die de zoetwaterdelta vandaag heeft verworven, alleen maar ten goede komen.

Met de Biesbosch meegerekend telt Nederland nu vijf nationale parken 'nieuwe stijl', zoals bedoeld in een regeringsnota uit 1975. De andere zijn Schiermonnikoog (sinds 1989), het Dwingelderveld in Drenthe (1991), de Weerribben in de Kop van Overijssel (1992) en de Groote Peel op de grens van Brabant en Limburg (1993). In totaal moeten er ongeveer twintig van die parken komen.

Een nationaal park is “een aaneengesloten gebied van ten minste 1.000 hectare, bestaande uit natuurterreinen, zoals wateren en/of bossen, met een bijzondere wetenschappelijke gesteldheid”. Belangrijkste doel is de natuur in zo'n gebied extra aandacht te geven (en er ook extra geld voor uit te trekken) zonder de mens te weren.

Wat de Biesbosch betreft vallen alleen de 'natte' delen in het nationale park. Puur agrarisch land is ervan uitgesloten en hetzelfde geldt voor drie voormalige polders die als spaarbekken zijn ingericht voor de drinkwatervoorziening. Twee andere polders in het 'natte hart' zijn voorlopig uitgezonderd, omdat ze in de toekomst misschien een vierde spaarbekken zullen vormen. Het zijn de gaten in de kaas van het nationale park, dat niettemin een aanzienlijk oppervlak beslaat: 7.100 hectare aan grienden, rietgorzen (sterk uitgedund inmiddels), killen en kreken en onderverdeeld in een Sliedrechtse, Dordtse en Brabantse Biesbosch.

De verheffing tot nationaal park is de zoveelste verandering waaraan dit natuurgebied onderhevig is. Het ingrijpendst waren de gebeurtenissen van eind 1970, toen het Haringvliet dicht ging en het oorspronkelijke tijverschil van bijna twee meter tot enkele decimeters terugviel. Hiermee verloor de zoetwatergetijdendelta haar oorspronkelijke karakter en dat gaf een schokeffect voor planten- en dierenwereld. Ecologisch gezien bevindt de Biesbosch zich nog steeds in een overgangsfase: het gewezen vloedwoud zoekt naar een nieuw evenwicht, waarvan het eindpunt nog bereikt moet worden.

De vraag is echter of het zover zal komen. Rijkswaterstaat ontwierp plannen om terwille van natuur en milieu de getijdenbeweging weer toe te laten in Haringvliet, Hollands Diep en Biesbosch. Hiervoor wil men de spuisluizen in de Haringvlietdam veel vaker openzetten dan nu het geval is, zodat de zee kan binnendringen. Een tijverschil van anderhalve meter is het absolute maximum, maar gezien de belangen van land- en tuinbouw, vertaald in angst voor verzilting, zal het wel op een meter uitdraaien.

Toch zou ook een dergelijk compromis het jongste nationale park, en vooral de rietcultuur, een dienst bewijzen. Door gebrek aan water verkommeren de rietgorzen, vertelt Huub Oome, bestuurslid van de Vereniging Behoud Biesbosch. “Als de sluizen opengaan komen ze weer tot leven en zal ook de grote karekiet terugkeren.” Ook de kwak, een zeldzame reigerachtige die hier vroeger in kleine aantallen broedde, zou een revival kunnen beleven als de Biesbosch weer onder invloed van eb en vloed komt te staan.

Een voorwaarde is volgens Oome wel dat eerst de killen en kreken worden uitgebaggerd. Die zitten boordevol verontreinigd slib. Het gaat om zware metalen als kwik, cadmium en arseen en organische chloorverbindingen, waaronder de uiterst giftige pcb's. Ze dringen door in bodemdieren, die weer als voedsel dienen voor watervogels en vissen, waardoor de schadelijke stoffen zich ophopen in de voedselketen. Ook deze 'chemische tijdbom' hangt samen met de afsluiting van het Haringvliet in 1970. Toen kon het slib niet langer zeewaarts en moest het in de benedenstroom neerslaan.

Een ander gevolg van '1970' was dat de Biesbosch open kwam te liggen voor groeiende aantallen waterrecreanten, die met hun zeil-, maar vooral motorjachten als mieren de delta binnendrongen. Een groot verschil met vroeger, toen er een zeker lef voor nodig was om met een bootje de Biesbosch te verkennen. De kans op verdwalen in dit doolhof was niet gering en het gevaar dat men bij vallend water vastliep, loerde in elke smalle geul. Die schaarse avonturiers verdwenen. Nu ligt vlakbij in Drimmelen de grootste kunstmatige jachthaven van Europa (1.400 ligplaatsen).

De status van nationaal park zal hierin geen verandering brengen, maar een man als Oome, die jarenlang de degens met de watersport heeft gekruist, kan intussen wel tot zijn vreugde vaststellen: “Watersport in de Biesbosch wordt steeds meer een kwestie van vogels kijken, dus van natuurbeleving.”

Een probleem blijft daarentegen de omvangrijke vloot van rondvaartboten die tegenwoordig de Biesbosch doorkruist. Oome: “Op zichzelf hebben we geen bezwaar tegen rondvaarten, want ze brengen de mensen op aangename wijze in contact met de Biesbosch. Nee, het zijn de uitwassen die het voor ons bederven, vooral dat verschijnsel dat ze party-shipping noemen: die feestende gezelschappen die de natuur misbruiken als decor voor hun bruiloften en partijen.”

De afsluiting van het Haringvliet van eind 1970 heeft nòg een proces versneld: dat van de neergang van de griendcultuur. Waar vroeger de griendwerkers onder vaak barre omstandigheden de wilgen te lijf ging, is alle bedrijvigheid verdwenen. Het hout vindt geen aftrek meer met als gevolg dat de ongesnoeide bomen tot grote hoogte opschieten. Ook de geïmporteerde bevers zijn, ondanks hun nijvere knaagwerk, niet in staat gebleken het leger van 'namelozen' te vervangen.

    • F.G. de Ruiter