Wat je denkt dat je weet van het brein

Het Breinboek. Hersenen, biochemie en de menselijke geest. Door Huub Schellekens. 175 blz., Aramith 1994, ƒ 37,90. ISBN 90 6834 118 9

Huub Schellekens is een opmerkelijke figuur in de Nederlandse wetenschap. Hij maakte naam bij TNO als onderzoeker van de stof interferon, ooit een belofte in de strijd tegen kanker. TNO gaf hem zelfs de (grotendeels papieren) status van 'top-onderzoeker'. Eind 1990 begon hij met een paar TNO-collega's een commercieel bedrijf voor de ontwikkeling van DNA-technologie. Dit werd geen succes. Schellekens ging werken als arts en microbioloog in een ziekenhuis in Delft, een soort parkeerbaan in afwachting van een academische positie.

Een hoogleraarschap heeft Schellekens tot dusver niet gekregen, wel een functie als voorzitter van de Voorlopige Commissie Genetische Modificatie, een lichaam dat waakt over de maatschappelijke aanvaardbaarheid van ontwikkelingen in de biotechnologie. Hij adviseert de Partij van de Arbeid bij wetenschappelijke vraagstukken en intussen wijdt hij zich ook nog eens energiek aan de popularisering van zijn vak. Radio- en televisieprogramma's doen zelden tevergeefs een beroep op hem, hij schrijft artikelen en publiceert met enige regelmaat boeken.

Dat hij daarbij nu eens genetische manipulatie, dan weer Aids en vervolgens de biologie van de hersenen behandelt zal hem in vakkringen niet altijd in dank worden afgenomen: waar heb je anders specialismen voor? In het voorwoord bij zijn nieuwe 'Breinboek' probeert Schellekens kritiek uit die hoek bij voorbaat te pareren: hij heeft al zo lang belangstelling voor hersenonderzoek en bezit een kast vol documentatie daarover. Het is niet de schuld van Schellekens maar curieus is het wel. Als - om eens iets te noemen - een wetenschapsjournalist zonder enige academische opleiding zo'n boek zou schrijven zou die zich beslist niet zo tegenover de specialisten hoeven verontschuldigen.

Intussen is de signatuur van de wetenschappelijk onderzoeker op veel manieren in het boek te zien. In de inleiding bijvoorbeeld. Daar worden, als betrof het een proefschrift, plichtsgetrouw de hoofdstukken opgesomd met een korte beschrijving van de inhoud. In het feitenmateriaal ook. Dat is uitgebreid en degelijk. Het boek heeft twaalf pagina's met referenties, waarbij het de gespecialiseerde vakkringen zal opvallen dat Schellekens als een ordinair wetenschapsjournalist zijn informatie vooral haalt uit Science, Nature, Scientific American en New Scientist.

Verder herkennen we de hand van de geleerde in de schrijfstijl. Vervelend genoeg komt de schrijver Schellekens niet goed los van zijn vakjargon, iets waar de spreker Schellekens doorgaans geen last van heeft. Vooral het eerste hoofdstuk, dat gaat over de anatomie van de onderdelen van het zenuwstelsel, gaat hieronder gebukt. Nu is jargon niet altijd te vermijden en niet altijd verkeerd, maar Schellekens maakt het de lezer onnodig moeilijk. Wat 'parasympatisch' betekent wordt pas uitgelegd zeventien pagina's nadat het woord voor het eerst is gebruikt. De ziekten spinale spieratrofie en amyotrofe lateraal sclerose worden genoemd zonder uitleg. Dat 'cerebrale cortex' een synoniem is van 'hersenschors' moet de lezer zelf uit de context opmaken, enzovoorts. Wat iedereen op de middelbare school de 'gele vlek' noemt (de gevoeligste plaats op het netvlies die het centrum vormt van het gezichtsveld), noemt Schellekens in hoofdstuk 4 consequent de 'fovea', zonder aan de andere term ook maar te refereren.

In de inleiding van het Breinboek krijgt de lezer het merkwaardige advies in geval van moeilijkheden het eerste hoofdstuk over te slaan en het later nog eens te proberen. Had er dan voor de duidelijkheid meteen een appendix van gemaakt. De latere hoofdstuken zijn goed leesbaar en laten zich prima lezen zonder kennis van wat er in het eerste staat.

Schellekens beschrijft de stand van zaken in het hersenonderzoek en behandelt daarbij de onderwerpen geheugen, bewustzijn, zien, taal, veroudering, psychiatrische aandoeningen en verslaving, in deze volgorde. Hij schetst waar mogelijk de experimenten die tot de weergegeven kennis hebben geleid. Dat geeft je als lezer het prettige gevoel dat je de informatie zelf kunt controleren. Behalve wetenswaardigheden ('In de baarmoeder zuigen foetussen van zowel mens als chimpansee op hun rechterduim.') passeren zo ook de vele open einden van het hersenonderzoek de revue. Anders gezegd: Schellekens vertelt, naast het vele dat er bekend is, hoe ontstellend veel nog niet wordt begrepen. Stoffen spelen 'wellicht' een rol bij X, gebieden van de hersenen vervullen 'mogelijk' een functie in Y en een aandoening wordt 'volgens een recente theorie' veroorzaakt door Z. De wetenschap is de oppervlakte van het brein nog niet voorbij. Dat laat de lezer onbevredigd achter, maar dat komt door de realiteit en niet door het boek op zichzelf. Het Breinboek is wel typisch een boek dat in twee jaar tijd verouderd kan zijn.

In zekere zin is het Breinboek zelfs uniek. Uitgeverij Aramith wilde volgens de inleiding 'een oorspronkelijk Nederlands boek over het menselijk brein als alternatief voor de vele buitenlandse uitgaven.' De meeste van de bedoelde boeken gaan over het bewustzijn en worden ontsierd door speculaties en als feiten verkochte meningen. Het bewustzijn is het sappigste onderwerp dat je met hersenen in verband kunt brengen maar ook het onderwerp waar het minste, zeg maar niets, over bekend is. Hier is eindelijk weer eens een boek waar in staat wat we weten.

Toch is ook het Breinboek zelf onbevredigend. De volgorde van Schellekens' hoofdstukken maakt een willekeurige indruk (had 'Bewustzijn' niet na 'Taal' en 'Zien' moeten komen?) maar vooral schitteren in de inhoudsopgave 'Intelligentie' en 'Slaap en Dromen' door afwezigheid. Schellekens schrijft dat hij geen volledigheid heeft nagestreefd en dat is zijn goed recht. Maar het is wel degelijk een gemis.

    • Herbert Blankesteijn