Vrouwen in de industrie

In reactie op het artikel 'Vrouwen kunnen in industrie nog moeilijk carrière maken' (NRC Handelsblad, 8 maart) het volgende: ik heb negen jaar in een grafisch bedrijf gewerkt (deeltijdbaan als corrector, vakbondslid FNV-Druk & Papier) en ik hoop nooit meer in de industrie te hoeven werken.

Een werkgever die de CAO aan z'n laars lapt en vindt dat moeders thuis horen te zijn. Hoezo periodieke loonsverhoging, hoezo calamiteitenverlof. Regeling voor kinderopvang? Ben je mal, je moet toch zelf zo nodig werken. Op het moment dat het werk terugliep en de baas kon kiezen tussen een man (volledige baan maar veertig procent afwezig: 50 dagen ziek/jaar, 26 ATV-dagen, 25 vakantiedagen) en een vrouw (deeltijdbaan, 7 dagen ziek/jaar, geen ATV, 25 vakantiedagen) was de keus snel gemaakt. Hij hoopte mij nog op het goede pad te brengen: nu kun je voor je kinderen zorgen.

Van de vakbond kreeg ik evenmin steun. In de ontslagaanvraag aan de Adviescommissie Ontslag (ACO) was ik volgens mijn werkgever geen vakbondslid. Op mijn protest werd door de heren van de ACO (werkgevers en vakbondsleden) als volgt gereageerd: per kerende post kreeg ik een kopie van de ontslagvergunning thuisgestuurd. Met goedkeuring van de vakbondsleden was er afgeweken van de CAO wat betreft opzegtermijn (niet vier maar twee maanden), ontslagreden en het recht om gehoord te worden door de ACO. Waarom ben ik zolang gebleven? Het werk zelf was leuk en het bedrijf, de crèche, de school en ons huis waren allemaal binnen loopafstand. Nu ben ik overigens zelfstandig gevestigd als corrector en dat is eigenlijk heel leuk.

    • L. Witschge-Van Reijen