VERZAMELEN

Classificeren is een diepe menselijke behoefte. De fascinatie van jonge kinderen voor torretjes, schelpjes, vogels en steentjes heeft alles te maken met het willen weten waar iets bijhoort. Het eerste, overweldigende gevoel is dat van nieuwsgierigheid: wat is het? Daarvoor moet je het vastpakken, eraan ruiken of ervan proeven, en erin knijpen (soms met onvoorziene gevolgen!).

Zo delen we van jongsaf aan de dingen om ons heen in op basis van zintuigelijke waarnemingen, en bouwen ons een universum van keurig ingedeelde klassen. Dat is niet altijd eenvoudig, en soms moeten de klassegrenzen bijgesteld worden. Het duurt even voordat het verschil tussen een poes en een hond duidelijk is. Een harige vacht is blijkbaar niet een voldoende onderscheidend criterium, het staartgedrag en het geluid dat het dier voortbrengt wel.

Met classificeren is alle wetenschap begonnen, en het zou me niet verbazen als veel onderzoekers in hun jeugd uitblonken in het bouwen van ingewikkelde geheime classificatiesystemen. In hen schuilt vast nog ergens het kind dat verzamelingen aanlegde volgens zijn eigen unieke patroon: alle geribbelde schelpen in het ene laatje, alle ronde stenen in het andere, alle bloemen op kleur gedroogd in hetzelfde boek. De verwondering over het proces dat een rups tot een vlinder transformeert, komt pas in tweede instantie.

Zonder classificatie geen naamgeving, geen benoeming van dingen die ogenschijnlijk zeer ongelijksoortig zijn (lange blonde meisjes in spijkerbroek kunnen, net zoals heren in driedelig grijs, tot de klasse 'ingenieur' behoren). Classificatie van de wereld om ons heen leidt tot een beter begrip van wat verschillend is en wat hetzelfde is. Het brengt, heel letterlijk, de wereld in kaart. Van verwantschapstructuren en sociale klassen tot metalen en eiwitten - een goede classificatie is eenduidig, kent nauwkeurige klassegrenzen en is consistent.

Maar classificatie is niet alleen maar nuttig. Het is ook de sleutel tot de vreugde van de herkennning, een sleutel tot inzicht in de werkelijkheid zelf. Zoals Vladimir Nabokov het ooit prachtig onder woorden bracht: 'A lily is more real to a naturalist than it is to an ordinary person. But it is still more real to a botanist. And a further stage of reality is reached with the botanist who is a specialist in lilies.'

Iedere wetenschap heeft zijn eigen classificaties, maar de taxonomie heeft die tot haar enige object gemaakt. De wetenschap van de beschrijving, naamgeving en classificatie van soorten is - het zal niemand verbazen - al heel oud. De eerste bekende flora was die van de Griek Theophrastos. Zijn classificatie van vijfhonderd planten was voornamelijk gebaseerd op een onderscheid tussen 'wild' en 'nuttig'. Na Theophrastos zijn de classificaties elkaar opgevolgd, en is onze kennis van het aantal soorten spectaculair gestegen.

Sinds de publieke ontdekking van de biodiversiteit in de jaren tachtig zou je dan ook verwachten dat juist die tak van de wetenschap zich in een groeiende populariteit mocht verheugen. Het tegendeel is het geval. In een recent nummer van Nature - dat ik onder de stapels op mijn bureau niet meer kan opgraven, en wegens een reparatie aan onze onvolprezen Wageningse glasvezelkabel ook niet via Current Contents kan oproepen - stond een stukje over de razendsnelle achteruitgang van het aantal taxonomen in de wereld. Tegen het licht van de behoefte aan beschrijving van soorten die elke dag meer bedreigd worden, is dit een dramatische ontwikkeling. Het aantal soorten organismen wordt nu geschat op 1.7 miljoen. Precieze cijfers zijn moeilijk te verkrijgen vanwege de afwezigheid van een alomvattende catalogus en de variaties in namen die door verschillende auteurs aan een soort worden gegeven. In ieder geval staat vast dat het grootste deel van de levende soorten nog onbekend is. Dit geldt met name voor de micro-organismen en de invertebraten waar slechts 5-10% formeel beschreven en benoemd is.

Toch is de laatste jaren 'beschrijvend' ongeveer het ergste wat je een wetenschappelijke collega kunt toevoegen. Beschrijvend is synoniem geworden met slechte wetenschap en met gebrek aan creativiteit. Taxonomen zijn mensen die ingewikkelde systemen met onuitsprekelijke namen produceren in grote schema's die niemand behalve zij zelf nog kunnen ontcijferen. In de ogen van velen zijn taxonomen niet veel beter dan 'postzegelverzamelaars' die alleen maar een nieuw exemplaar aan hun collectie willen toevoegen. Bovendien lijkt de taxonomie een bodemloze put, want wanneer is dat verzamelen en beschrijven ooit klaar?

Nee, het sleutelwoord van de wetenschap van vandaag is 'design' geworden: niet beschrijven maar ontwerpen, van eiwitten, keramische verbindingen en zelfs van genotypen. De biotechnologie bloeit dan ook. Zij belooft niet alleen doorbraken, maar maakt die beloften in een aantal gevallen nog waar ook. Daar kan de taxonomie weinig tegen in het geweer brengen.

Zo slurpten het Human Genome mega-projekt en andere programma's miljoenen op, terwijl herbaria verwaarloosd worden en expedities ten behoeve van het verzamelen van soorten steeds minder aandacht krijgen. Het geld dat uitgegeven wordt aan taxonomisch onderzoek is wereldwijd een schijntje. Nederland kent bijvoorbeeld nog maar twee hoogleraren plantensystematiek en enkele diertaxonomen, terwijl talloze vakgroepen zich bezig houden met biotechnologisch onderzoek.

De wanverhouding in middelen is me eerlijk gezegd minder een zorg dan het feit dat men daarmee de zaken omdraait. Het karakteriseren van DNA sequenties lijkt me niet in alle gevallen dringend, en bovendien wordt het met de dag goedkoper en sneller. Daarentegen is het verzamelen van soorten in bedreigde natuurlijke ecosystemen accuut - als er ergens geldt 'uitstel is afstel', dan is het hier wel. Dat na het verzamelen gebruik gemaakt kan worden van moderne biotechnologische analyses om te komen tot een juiste karakterisering en classificatie, is een bijkomend voordeel.

Merkwaardig genoeg heeft het wantrouwen van een deel van spraakmakend Nederland tegenover de genetische manipulatie niet geleid tot brede steun aan het taxonomisch onderzoek of aan herbaria. Nog onlangs (22 januari) verwoordde Youp van 't Hek op de achterpagina van deze krant op zijn onnavolgbare welluidende wijze de publieke afschuw van de biotechnologie - 'de bioloog stoeit met zijn eigen sperma net zo lang onder de electronenmicroscoop tot hij binnenkort met een biseksueel resusaapje met het IQ van Chriet Titulaer op de schaakclub de kampioen kan verslaan...'. Net zoals de reacties op Spielberg's Jurassic Park zijn deze geluiden niet mis te verstaan. Een groot deel van de natuurwetenschap is niet meer in staat om de samenleving duidelijk te maken waar zij zich mee bezig houdt, en dat is op zijn zachtst uitgedrukt een zorgwekkende ontwikkeling.

Meer aandacht voor het belang en het fascinerende van de taxonomie bij het grote publiek zou een dergelijke anti-wetenschappelijke en anti-technologische houding wellicht kunnen omkeren. Juist omdat de taxonomie zo dicht bij de beleving van ieder mens staat, zou dit een terrein moeten zijn dat volle maatschappelijke steun zou kunnen krijgen. Maar wellicht zijn de rekenmodelontwerpers die de gelden beheren, vergeten dat zij zelf vroeger ook schelpen verzamelden. Of, erger nog, misschien deelden zij van jongsaf aan de wereld in slechts twee klassen in: nuttig en nutteloos.

    • Louise Fresco