Tjitske

Ze herinnert zich de nachten. Het gedempte licht. De suizende stilte. Een beetje lezen. Een beetje piekeren. Steeds verdacht op het minste geluid, de kleinste beweging. En dat Jan in zijn halfslaap gebaren maakte. Alsof hij probeerde iets weg te gooien. En wie weet was dat ook zo, misschien was hij bezig de ballast van het leven op te ruimen.

Tjitske is 48 en bejaardenverzorgster, de oudste zuster van Harm. Jan was meer dan een zwager, hij was een vriend.

Voor die nachten was een rooster ingesteld en ze vond het een eer dat ze daarin werd opgenomen, een soort uitverkiezing. Lang niet iedereen mocht op Jan passen. Ze had het gevoel dat Harm een onbeperkt vertrouwen in haar stelde en natuurlijk, door haar werk had ze een zekere handigheid, ze wist hoe je iemand moest laten drinken, hoe je iemand moest vasthouden, hoe je iemand moest omdraaien, maar als er uitgerekend als zij zat te waken iets gebeurd was - wat had ze moeten doen?

Ze zegt: “Het was winter, de nachten duurden eindeloos. Als er dan ergens een haan begon te kraaien, als de krant in de bus viel... hèhè, gelukkig, het wordt licht!”

Ze zegt: “De pijn, de benauwdheid, onmenselijk. Toch is dit voor mij het voorbeeld van een waardige dood.”

Ze zegt: “We vormden een groep om Jan heen en die groep heeft het volgehouden. Het kán. Dat er mensen zijn die echt om je geven, die bereid zijn een heel eind met je mee te gaan.”

    • Koos van Zomeren