Strijders Gods voeren oorlog in Algerije op

Geen man placht het leven lichtvoetiger te nemen dan Samir. Hij kwam er rond voor uit dat hij van principes niets moest hebben. Hij was één van die velen in Algerije die zich ogenschijnlijk buigen voor iedereen met meer macht en invloed, als dat hun leven maar vergemakkelijkt.

Toen de moslim-extremisten, die met geweld hun ideeën proberen door te drijven, het in Samirs wijk in Algiers zodanig voor het zeggen kregen dat de invloed van de overheid alleen nog maar op afstand dan wel met een overmaat aan geweld te bespeuren was, zei Samir de alcohol moeiteloos vaarwel. Ook liet hij zijn baard staan en ging hij zich islamitisch kleden. Hij overdreef het allemaal zelfs een beetje door zijn tandenborstel af te schaffen en de hele dag, net als de Profeet Mohammed, met een houten stokje zijn tanden te reinigen.

Als je Samir in vertrouwen vroeg hoe hij zo gemakkelijk van zijn eigen normen en ideeën afscheid had kunnen nemen, ontkende hij dat zeer verontwaardigd. Maar als zijn naaste vrienden onder vier ogen bleven aandringen, moest hij toch weer even lachen. “Wil je een eerlijk antwoord”, zei hij dan. “Als ik mij niet aanpas aan de nieuwe verhoudingen, wie zal dan de rekening betalen? Jij? Anderen? En wie zal er voor mijn familie en mijn winkel zorgen?”

Vier maanden geleden durfde hij nog zo te praten. Maar nu is het ook met die openhartigheid gedaan. Onlangs vertrok hij naar Marokko om te kijken of hij met zijn vrouw en kinderen naar dat land kan vluchten en bij voorbeeld in een stad als Casablanca een winkel kan openen. Hij is over zijn plannen uiterst discreet, zoals zovele Algerijnen dezer dagen. Ze zeggen tegen hun omgeving “even op reis te gaan”. Maar ze verzwijgen zelfs tegenover hun naasten dat ze voorgoed proberen weg te gaan.

Wie erin slaagt naar het buitenland te komen en naar huis opbelt, zal evenmin toegeven dat zijn vertrek een permanent karakter heeft. Maar de thuisblijvers weten het heel goed. “Jij boft”, zeggen ze. Met recht en reden, want de weg naar Frankrijk is nu zo goed als afgesloten. De Franse consulaten in Algerije geven alleen nog in theorie visa af. De aanvraag en de bijna altijd daarop volgende afwijzing gebeuren tegenwoordig schriftelijk. Hoger beroep daartegen is niet mogelijk, tenzij men over zeer machtige connecties en relaties beschikt. Zo kreeg onlangs zelfs de directrice van de Algerijnse staatsradio bericht dat haar visumaanvraag voor Frankrijk niet gehonoreerd kon worden. Wie tóch in staat is op een vroeger afgegeven visum naar Frankrijk te komen, hoeft daar niet op politiek asiel te rekenen, hoogstens op een humanitair verblijf met beperkte tijdsduur.

Samirs bijna spreekwoordelijke blijmoedigheid is dan ook geheel verdwenen. Dag en nacht maakt hij zich zorgen over de nabije toekomst. Zoals alle mensen in oorlog, kan hij zich geen enkele voorstelling meer maken van wat er over een half jaar gebeurt. Hij voelt zich permanent bespioneerd en hij let angstvallig op zijn woorden. In zijn wijk zijn er nu elke dag schietpartijen tussen de oproerpolitie en de militairen enerzijds en de moslim-extremisten anderzijds. Hij is doodsbang dat zijn vrouw of kinderen opeens in één van die schietpartijen verzeild zullen raken - wat iedereen overal en op elk moment kan overkomen, aangezien het nergens meer veilig is.

De mannen die bij de controleposten op de wegen de auto's aanhouden, kunnen namelijk even goed moudjahedin (strijders voor God en de islam) zijn als van de politie of het leger. Dat kan niemand voorspellen. Want de gewapende strijders die voor God vechten, hebben allen hun baarden afgeschoren en lopen in leren jacks en in blue jeans rond, als ze zich al niet in gestolen politie- en legeruniformen hebben gestoken. Hun vijanden van de politie en het leger doen daarentegen nu vaak hun uniform uit om wat onherkenbaarder te zijn. Niemand weet dus meer wie op straat van welke partij is, waardoor de algemene angst, onzekerheid en verwarring nog meer zijn toegenomen. Wie bij voorbeeld op een controlepost van moudjahedin stuit, kan als vijand Gods door hen worden meegenomen en vermoord. Als zij besluiten dat de aangehoudene de doodstraf niet verdient, stempelen zij sinds kort in zijn identiteitspapieren “Islamitische Republiek Algerije” - wat hem bij de volgende controlepost van steeds nerveuzere leger- en politiemensen zó verdacht maakt dat hij daar de kans loopt opgepakt te worden.

In een ander land en onder andere omstandigheden zou men de huidige gemoedstoestand van Samir en zoveel anderen paranoïde noemen. Maar niet in Algerije. Zo werden twee weken geleden in Al-Haradj, één van de fundamentalistische wijken van Algiers, een vrouw en haar dochter afgemaakt. Zij hadden volgens de Strijders voor God “verraad gepleegd” aan God, de Profeet Mohamed en de islamitische natie. Want zij hadden 's avonds bij de iftar, als in de maand Ramadan bij zonsondergang het vasten van de dag gebroken mag worden, aan een paar in de wijk patrouillerende politiemannen een bord chorba (dikke soep) gegeven. Daarmee hadden zij weliswaar geheel volgens de islamitische traditie gehandeld, maar zij hadden er even niet aan gedacht dat de moslim-extremisten juist met veel van die tradities willen breken. Zij hadden er ook niet op gerekend dat tegenwoordig alle handelingen van alle mensen in Al-Haradj nauwgezet worden gadegeslagen en aan de extremisten worden gerapporteerd.

Tot voor kort doodden de Strijders Gods de vijanden Gods over het algemeen met een kogel door het hoofd of door hen als schapen de keel af te snijden. Op die manier werden volgens een oude traditie, en zeker tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen Frankrijk, alle verraders en collaborateurs bestraft. De slachtoffers moesten knielen in de goot van de straat en werden geslacht.

Maar in de huidige oorlog worden de strijdmethoden steeds gruwelijker. Zo meldt Radio-Trottoir, de geruchtenmachine die op volle toeren loopt, dat thans informanten niet langer de keel wordt doorgesneden. Zij worden nu onthoofd, waarna hun hoofd naar de familie wordt gestuurd met een steen in plaats van de hersens.

Een jaar geleden werd de bekende socioloog professor Mohamed Boukhoubza thuis door de Strijders Gods evenmin op traditionele wijze geliquideerd. Hij had 's ochtends zelf de deur opengedaan toen zijn moordenaars aanbelden. Zijn 21-jarige dochter die in de kamer ernaast werd vastgehouden, hoorde de vergeefse smeekbedes van haar vader om hem in leven te laten en ten slotte zijn doodskreet toen hem de buik werd opengesneden.

De moord op professor Boukhoubza en zovele andere schrijvers, journalisten en intellectuelen is niet het werk van enkele heethoofden, maar onderdeel van een weldoordachte strategie om alle kritiek op of verzet tegen de ideeën van de moslim-extremisten in de kiem te smoren. Daarom noemen zij die het er levend vanaf hebben gebracht, de systematische moordcampagne, die in het klein veel gemeen heeft met hetgeen de Rode Khmer in Cambodja deed, intellectocide. De bekende schrijver Rachid Mimoumi, die onlangs naar Marokko vluchtte nadat zijn dochter met de dood bedreigd was, citeerde pamfletten van de extremisten “Zij die ons met de pen kritiseren, moeten door het zwaard ten onder gaan.” Eén keer slaagde Mimouni erin voor de radio in debat te gaan met een intellectueel die het standpunt van de moslim-radicalen vertolkte. Waarop deze de luisteraars tot driemaal toe opriep om Mimouni te vermoorden.

Geen wonder dat men zich onder de huidige omstandigheden zoveel mogelijk thuis opsluit. Want de mensen zijn sinds kort ook nog eens bang dat als hun vrouwen en dochters de hejab (de islamitische kleding die haar en lichaam van de vrouw bedekt) niet dragen, zij worden aangevallen, zoals onlangs gebeurde met de 17-jarige lyceïste Katia Bangagna. Zij liep, zoals zovele meisjes en vrouwen in Algerije, zonder hejab, gearmd met een vriendin. Toen kwamen de moordenaars. Zij lieten het gesluierde meisje ongemoeid en maakten haar vriendin op straat af.

Naast het vermoorden van ongewapende burgers die zich op geen enkele wijze kunnen verdedigen, gaan de overvallen op de vertegenwoordigers van de overheid (rechters, burgemeesters, openbare aanklagers) en op de ordestrijdkrachten (politie, gendarmerie en militairen) in versneld tempo door. Zo werden zeer onlangs alleen al in Algiers op één dag 17 politiemannen vermoord - niet in één klap, maar verspreid, in groepjes van maximaal twee. Bovendien vielen er op diezelfde dag bij Charea, ongeveer 50 km ten zuiden van Algiers, twaalf militairen, van wie de helft officieren, in een hinderlaag.

In tegenstelling tot wat de overheid beweert en de media mogen berichten, melden ingewijden dat er nu drie- tot viermaal zoveel doden vallen als de tien tot twintig per dag van een paar maanden geleden. Dat komt omdat de Strijders Gods de oorlog hebben opgevoerd en in veel gevallen niet langer zelf tot actie overgaan, maar “onder-aannemers” in dienst nemen - werkloze jongeren die een klus voor God mogen klaren en een klein bedrag in contanten ontvangen als ze een aangewezen persoon liquideren. Daardoor zijn er in het centrum van Algiers nu bijna elke dag schietpartijen en schermutselingen.

Steeds meer categorieën worden door de extremisten beschuldigd van “samenwerking” dan wel collaboratie met “de illegale regering”. Dat betekent dat leerkrachten, belastingpersoneel en douaniers die allen in dienst van “de goddeloze staat” werken, elk moment uit de weg kunnen worden geruimd.

Sinds kort hebben de strijders Gods in de wijken, dorpen en steden waar zij het voor het zeggen hebben, een rookverbod uitgevaardigd, hoewel roken volgens alle uitleg van de islamitische wetgeving niet haram (strikt verboden) is. Wie het rookverbod overtreedt, moet 500 dinar boete betalen - geheel conform de manier waarop het thans door de extremisten zo vervloekte Nationale Bevrijdingsfront (FLN) tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen Frankrijk de consumptie van drank en sigaretten met boetes bestrafte.

De gewone mensen protesteren steeds minder, onverschillig als ze zijn geworden tegenover alles wat er gebeurt. Zelfs de zeer aanzienlijke prijsstijgingen van de eerste levensbehoeften, die zeer binnenkort door nog veel grotere prijsstijgingen gevolgd zullen worden als de regering tot een akkoord komt met het IMF, accepteren zij gelaten. Iedereen is bang en dus verbergt men zich zoveel mogelijk thuis. Tegen beter weten in hoopt en bidt men dat er misschien morgen of overmorgen een oplossing zal komen, zich vastklampend aan elk stukje nieuws. Want voor de meeste mensen is het niet langer van belang wie de oorlog wint, als er maar een eind aan komt.

    • Michael Stein