Strafwerk

HET NEDERLANDSE gevangeniswezen heeft internationaal een goede reputatie.

In zekere zin is deze te danken aan de Tweede Wereldoorlog. Toen zagen nogal wat nette burgers de gestichten noodgedwongen van binnen. Zij schrokken van wat ze zagen. Mede daardoor kwam tijdens de periode van naoorlogse wederopbouw een beweging op gang de gevangenisstraf mede dienstbaar te maken aan “resocialisatie”, het terugbrengen van de veroordeelde in de maatschappij. Dit beginsel is in 1953 zelfs in de wet vastgelegd. We hebben in Nederland inmiddels te maken met een andere oorlog, de strijd tegen toenemende misdaad en onveiligheid. De criminaliteit wordt venijniger, het strafklimaat verhardt. Het gevangeniswezen maakt een spectaculaire groei door (een verdrievoudiging van het aantal cellen in vijftien jaar) en krijgt tegelijk te maken met meer moeilijke gevallen. Minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Kosto van justitie hebben de conclusie getrokken dat het accent moet worden verschoven van de klassieke resocialisatie naar arbeid als leidend beginsel voor de tenuitvoerlegging van de detentie.

Op zichzelf is de aandacht van de bewindslieden voor arbeid binnen de gevangenismuren toe te juichen. Het probleem is alleen dat, zelfs als dit lukt (het aantrekken van voldoende werk is eenvoudiger gezegd dan gedaan), de rest van het standaardregime een verschuiving te zien geeft in de richting van eenzame opsluiting. Het “punitieve karakter” van de opsluiting, zoals de bewindslieden het noemen, krijgt bovendien een nieuw accent. Daarmee komt een ander resocialisatiebeginsel op de tocht te staan, namelijk dat het wezen van de gevangenisstraf ligt in het enkele feit van de vrijheidsbeneming. Daar kan geen televisietoestel op de cel tegen op.

GERICHTE RESOCIALISATIE is in de nieuwe formule alleen weggelegd voor speciale categorieën van extra hulpbehoevende of juist duidelijk gemotiveerde gedetineerden, naar schatting twintig procent. Het is zeker, zoals de bewindslieden opmerken, dat te veel gedetineerden, ondanks alle begeleiding, wanneer zij vrij komen alleen maar belanden in hun oude milieu, dat vaak een bron van kwaad is. Toch is het gevaarlijk om tachtig procent van de gevangenisbevolking in feite zonder meer af te schrijven. De recidive van gevangenisklanten is nu al zeker vijftig procent - òf meer (het is tekenend dat het niet meer zo precies wordt bijgehouden). Recidive heeft een eigen maatschappelijke prijs aan schade en leed.

Het is dan ook de vraag of de nieuwe zakelijkheid niet een aantal verborgen kosten kent. Het overgrote deel van de gevangenisbevolking bestaat uit sociaal zwakkeren. Dat beperkt het ambitieniveau, zoals de bewindslieden het uitdrukken. Maar zij gaan niet in op de betekenis die het bieden van hoop en uitzicht dan juist heeft. Het laatste waaraan wij behoefte hebben is het kweken van nieuwe desperado's binnen het gevangenisbestel.

DAT ER GEEN GELD is voor een wat meer perspectiefvol beleid, zoals de ogenschijnlijk onverbiddelijke boodschap is van de nota Werkzame detentie en het voorstel van een nieuwe Beginselenwet gevangeniswezen, is nog maar de vraag. De politieke partijen lijken het er in de verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer over eens te zijn dat er in de komende regeerperiode meer begrotingsruimte dient te worden vrijgemaakt voor het interne veiligheidsbeleid. Dan moet er toch te praten zijn over een betere verhouding tussen kwantiteit en kwaliteit van het gevangeniswezen.