Sotheby's in 250 jaar van 'vriendenclub tot multinational'

AMSTERDAM, 10 MAART. Een Trabant of een ander Oosteuropees vehikel, dat door Amsterdam toert, is niet zelden op weg naar het veilinghuis Sotheby's aan het Rokin. Particulieren uit Polen, Hongarije en de buurlanden proberen daar regelmatig hun vermeende kunst en antiek te veilen. Een vergeefse tocht meestal, want de afgelopen jaren dook er uit dat aanbod maar één bijzonder voorwerp op, een zilveren schaal.

Toch is Sotheby's begonnen aan een ontginning van Oost-Europa. In Hongarije heeft zich al een expert gevestigd. “Ook van andere Oosteuropese landen hebben we hoge verwachtingen”, zegt John van Schaik, directeur van Sotheby's Amsterdam. “Particulieren zijn zich totaal niet bewust van de waarde van hun bezittingen. Wij taxeren ter plaatse, maar omdat er nog een markt ontbreekt, veilen we in het westen.”

Sotheby's, het grootste veilinghuis ter wereld, bestaat morgen 250 jaar. Het ontwikkelde zich van 'vriendenclub tot multinational', zoals werknemers graag propageren. Samuel Baker was de eerste die zich in 1744 als veilingmeester presenteerde op een openbare boekverkoop. Pas een eeuw later, inmiddels verhuisd naar de Londense Strand, toen de kleinzoon van Bakers neef John Sotheby een door Shakespeare ondertekend document veilde, ontstond voor het eerst die zinderende opwinding in de veilingzaal die nu sensationele records voor een Van Gogh of een Cézanne nog wel eens teweegbrengen. Omstreeks diezelfde tijd kostte hier bij een verkoping in Dordrecht een 'Helse Brueghel' nog ƒ 8,50, een Jan van Goyen ƒ 15,50 en een doek van Frans Hals moest bij ƒ 36,- worden opgehouden omdat er voor meer geen koper te vinden was. Werken van Van Goyen, afhankelijk van grootte en kwaliteit, kunnen nu een half miljoen gulden opbrengen. De waarde van een Frans Hals, die waarschijnlijk niet meer op de markt zal verschijnen, “laat zich niet in geld uitdrukken”, aldus een Sotheby's-medewerkster.

Het zou de legendarische veilingmeester Peter Wilson worden, een verlegen, maar eenmaal in de zaal, een dominante persoonlijkheid, die in de jaren vijftig van deze eeuw de expansiedrang van Sotheby's effectief ter hand nam. Voor honderd Britse ponden lanceerde hij de allereerste publiciteitscampagne voor Sotheby's, hij haalde de expertise in huis die de gevestigde kunsthandel al jaren bood, en hij wist veilingen zo'n cachet te geven dat het publiek in avondtoilet verscheen.

Het concern telt nu ongeveer 1.600 werknemers, vijftien veilingvestigingen en 65 vertegenwoordigingen. Behalve in Oost-Europa spreidt men de laatste jaren ook zijn tentakels uit in Azië. In Hong Kong zorgt porselein voor hoge opbrengsten. In India is Sotheby's minder succesvol. Achterdocht en bureaucratische commissies, die over het 'nationale belang' van voorwerpen oordelen, staan daar westerse efficiëncy in de weg.

Om het 250-jarig bestaan te vieren scharen zich in Londen morgen de allerrijksten en de allerhoogsten om de dis. Er wordt vuurwerk ontstoken en langs de Thames gaan een miljoen bloembollen de grond in. Amsterdam zal er in juni pas iets van merken. Dan moet een orkest, drijvend op het Damrak-water, een uitvoering geven van de Watermusic van Georg Handel. Op 6 juli volgt nog een symposium over 'lifestyle' in 1744.

Amsterdam - Sotheby's nam in 1974 Mak van Waay over - blijft een bescheiden veilingstad. New York, Londen en Genève geven de toon aan. Over een vestiging in Parijs, waar de Franse staat ten aanzien van zijn veilinghuizen protectionisch optreedt, lijken de onderhandelingen in een stroomversnelling te geraken. In Nederland kabbelt de handel voort. “Als we afhankelijk waren van de Nederlandse markt, zouden we hier niet meer bestaan”, zegt directeur Van Schaik. Hij doelt op de calvinistische, nuchtere en net zo sobere levenshouding van de Nederlander, diens prozaische bestedingspatroon, waarin wél auto's en vakanties maar geen kunstaankopen passen. En op het nog steeds groeiende percentage buitenlandse kopers hier van oude en moderne kunst.

Vooral het werk van de Cobra-schilders ligt hier nog goed in de markt. Sotheby's zoekt er zelf naar in België en Scandinavië. “Een grote verandering”, zegt Van Schaik. “Vroeger wachtten we af wat er aangeboden werd, nu gaan we er zelf op af. Lees ik ergens een interview met een jukebox-verzamelaar, dan sturen we hem een catalogus wanneer er jukeboxen geveild worden. Wij hopen dan dat hij er twintig wegdoet om dat ene zeldzame exemplaar op de veiling te kunnen kopen.”

Het afgelopen decennium hebben zich meer veranderingen voorgedaan. De komst van de fax is er debet aan dat potentiële kopers steeds vaker een 'conditional report' opvragen met een gedetailleerde beschrijving van het te veilen object, waarbij het veilinghuis zich onherroepelijk vastlegt. Het telefonisch bieden is zo populair geworden dat tijdens een veiling hier zo'n tachtig tot honderd mensen gebeld moeten worden. Het tienvoudige gaat soms op bij Newyorkse veilingen. Catalogi worden nu in zo'n grote oplage verspreid dat wanneer sporadisch een doek van een IJslandse schilder in Amsterdam onder de hamer komt, zich als vanzelfsprekend kopers uit Reykjavik melden.

Bovendien hebben tijdschriften en televisie-programma's als Kunst & Kitsch, aanvankelijk een Brits radio-initiatief van een Sotheby's-medewerker, de drempelvrees bij veel particulieren weggenomen. Wat niet wil zeggen dat het aantal financiële verrassingen voor diezelfde particulieren gelijke tred heeft gehouden. Mochten ze zelf willen kopen op een Sotheby's veiling dan moeten ze rekenen met een gemiddelde verkoopprijs van zo'n vijfduizend gulden. “Bij een veilingbedrag van zevenhonderd gulden, lijden we verlies”, aldus Van Schaik.

Ook in het te veilen aanbod deden zich opmerkelijke verschuivingen voor. Sinds eind jaren zeventig is de kunstnijverheid - meubilair, zilver- en glaswerk, juwelen en wat dies meer zij - steeds prominenter vertegenwoordigd. “Er is een luxe lifestyle ontstaan”, zegt Max Hemelraad, hoofd van de Sotheby's-afdeling Decorative Arts. “Er wordt tegenwoordig thuis lang en lekker getafeld en dat betekent aandacht voor zilveren bestekken, serviezen en kostbare siervoorwerpen, zoals schalen voor bloemboeketten. Het trefwoord van nu is elegantie; doeken van mooie vrouwen en bloemstillevens, zilver en fijn bewerkt marmer. Men ziet liever geen woelige zee meer boven de bank hangen of een stilleven met dood wild.”

Minder geruststellend zijn recente publikaties over flink wat zwart geld dat op veilingen wordt wit gewassen. Sensatieverhalen, meent Van Schaik. “Vergeleken met tien jaar geleden betalen driemaal zoveel mensen met cheques. Als een Nederlander nu bij Sotheby's Londen iets contant betaalt, weet men er daar geen raad me. We worden zelfs voor nadere informatie opgebeld.”

Ondanks die nieuwe trends lijken de zinderende zalen uit de jaren tachtig, toen de markt van impressionisten en eigentijdse schilders mede dankzij Japanse kopers en hoge schattingen in de veilingcatalogi, doldraaide, voorgoed tot het verleden te behoren. “We zijn een stuk nuchterder geworden”, aldus Van Schaik. “De schattingen stegen destijds zo snel omdat ze geënt werden op de laatste veilingresultaten. Een domino-effect. Nu liggen die limieten aanzienlijk lager. En die boodschap is soms moeilijk aan de klant te verkopen. 'Wacht u maar even met uw Van Gogh', zeggen we tegenwoordig. Maar als straks de westerse economie weer opkrabbelt, weten we zo net niet wat er gaat gebeuren.”