Sneeuwvlo (2)

Het gebeurt maar zelden dat ik redenen heb te twijfelen aan de juistheid van de informatie die W&O biedt. Maar op 24 februari was het goed raak! Daarin beweert Peter de Jaeger, dat de 'sneeuwvlo' of 'sneeuwspringer' (Boreus hyemalis) een zeldzaam insekt zou zijn, dat sinds het begin van deze eeuw niet meer in België en Nederland zou zijn waargenomen.

Blijkbaar hebben Hans Hendrickx, Rudy Jocque van het Koninklijk Museum voor Midden Afrika te Brussel en Peter de Jaeger niet de moeite genomen om de taxonomische index bij de Entomologische Berichten (EB) van de Nederlandse Entomologische Vereniging, te raadplegen. Hadden zij dit gedaan, dan zouden zij hebben ontdekt, dat ondergetekende, onder de titel 'De relativiteit van de zeldzaamheid', in 1967 melding maakt van vangsten van de sneeuwspringer (EB 27, 1967: 52-60).

Er worden niet alleen enkele handvangsten tussen 1900 en 1930 aangegeven, maar ook honderden exemplaren die in de wintermaanden van 1963, 1964 en 1965 werden gevangen in vangblikken op het 'Hullen Zand' bij Mantinge (Drenthe). Ik kan hier nog aan toevoegen, dat in de winter van 1953 en die van volgende jaren vele exemplaren werden gevangen (eveneens in vangblikken) in Meijendel bij Den Haag (een klassieke vindplaats). Bovendien zouden zij hebben ontdekt, dat Theodor Heijerman in 1987 (EB 47: 114-118) melding maakt van vangsten door R. Jansen in de duinen bij Laren. Het blijkt dus geenszins een zeldzaam insekt te zijn, dat zeker niet sinds 1900 uit Nederland is verdwenen!

Ik heb ook bezwaren tegen de suggestie, dat dit insekt 'een overblijfsel zou zijn uit de IJstijd'. Allereerst, omdat sneeuwspringers alleen actief zijn bij temperaturen boven het vriespunt (Heijerman geeft zelfs 9.8ß8 C. als voorkeurstemperatuur op). Maar vooral, omdat er voor deze zogenaamde 'ijstijdrelicten' geen harde aanwijzingen bestaan, zoals ononderbroken reeksen fossielen uit deze streken vanaf de laatste ijstijd.

De 'IJstijdrelicten' zijn een romantische uitvinding uit het begin van deze eeuw. Hoogstwaarschijnlijk zijn dit slechts soorten met een noordelijk verspreidingsgebied, die in deze streken de zuidgrens van hun areaal bereiken. Hier in Drenthe vinden we tientallen soorten met een dergelijk noordelijk accent, waarvan er een aantal zich bij voorkeur 's winters voortplant (waaronder de sneeuwspringer). Over de levenswijze is inderdaad weinig bekend. Het meest waarschijnlijk is, dat ze evenals andere schorpioenvliegen leven van het uitzuigen van dode insekten.