Psycholoog mag zorgvuldigheid heus wel toetsen

Niet bekend

Asscher verwijt mij het doen van apodictische uitspraken, dat zijn uitspraken gedaan op een wijze die geen tegenspraak toelaat. Dat is een vreemd verwijt uit de mond van een rechter, die van zulke uitspraken zijn beroep maakt. Maar zelfs wanneer het verwijt juist is blijft er nog een verschil tussen rechterlijke uitspraken en de mijne. Ik ben gewend mijn uitspraken zorgvuldig te motiveren met behulp van onderzoek; rechters motiveren hun uitspraken doorgaans in het geheel niet, ondanks een wettelijke verplichting daartoe. Asschers uitspraken over mijn oordeel in de Epense zaak zijn niet gemotiveerd. Hij gelooft dat ik uitspraken heb gedaan over wat er al of niet bewezen kan worden verklaard; daar is geen sprake van, maar kennelijk berust zijn bewering niet op kennis van het rapport dat Dr. Soppe en ik voor de rechter-commissaris hebben geschreven. Ik heb bezwaar tegen Asschers uitspraken, niet omdat ze apodictisch zijn (dat zijn ze), maar omdat ze niet berusten op kennis van zaken. Hij zou die onzorgvuldigheid hebben ontdekt wanneer hij had geprobeerd zijn mening te motiveren.

Tenslotte stelt Asscher dat ik me niet hoef te bemoeien met de kwaliteit van de rechtspraak, want dat doet de rechterlijke macht zelf wel. Afgezien van de vraag of die bewering wel juist is, moet het toch duidelijk zijn dat een zo belangrijke maatschappelijke functie als de rechtspraak niet uitsluitend aan de bewaking kan worden overgelaten van diegenen die haar in de praktijk beoefenen. De rechterlijke zorgvuldigheid moet maatschappelijk getoetst kunnen worden, al is het maar door een psycholoog. Na lezing van ons rapport over de wijze waarop politie en justitie in de Eper zaak met de waarheid hebben gesjoemeld zou hij wellicht niet zo stellig beweren dat er geen controle nodig is.

Alstublieft, leest u dat rapport nu eens, en laten we daarna verder praten. Ik ben namelijk zeer op uw zorgvuldig tot stand gekomen mening gesteld.