Problemen van werkloosheid zijn te bestrijden met vrijstellingen

Werkloosheid is een gevolg van de stijgende arbeidsproduktiviteit, en daarom zeer moeilijk te bestrijden. Maar werkloosheid is ook een bron van veel maatschappelijk kwaad.

J.C. Ott pleit daarom voor arbeidsbemiddeling die zich richt op de schadelijkste vormen van werkloosheid. Voor mensen die topsport beoefenen of een verzorgende taak hebben zou de sollicitatieplicht kunnen worden opgeschort.

De opwinding over de stijgende werkloosheid doet denken aan een middeleeuws heksenproces. Ondanks de respectabele inspanning van deskundigen om de waarheid aan het licht te brengen blijft onduidelijk wat precies aan de hand is: wie is waaraan schuldig en waarom is het zo verschrikkelijk? Een belangrijke oorzaak van werkloosheid is de stijgende arbeidsproduktiviteit, die het makkelijk maakt om in onze behoeften te voorzien. Is dat soms een ramp? Het wordt pas een ramp als we de organisatie van onze economie heilig verklaren en die organisatie niet willen aanpassen. Bij een lage arbeidsproduktiviteit per werknemer en weinig werkloosheid kan het inkomen van mensen min of meer afhankelijk worden gesteld van hun arbeidsprestatie. Bij een hoge arbeidsproduktiviteit per werknemer en omvangrijke werkloosheid wordt het werk al snel door een kleine groep gedaan. Dan moet men in elk geval voor goede inkomensoverdrachten zorgen (WW, Bijstand, WAO, AOW) en zo mogelijk voor arbeidsduurverkorting.

De samenleving is net een kinderpartijtje: als er veel gedaan moet worden is het leuk om kinderen voor hun bijdrage te belonen met snoepjes, waarbij ijverige kinderen wat extra's krijgen. Maar als het meeste werk gedaan is, kan die verhouding tussen inspanning en beloning niet op logische wijze worden volgehouden. Het wordt heel vervelend als men het dan toch probeert, bijvoorbeeld door de zogenaamde 'financiële prikkels', want dat levert niets op terwijl het wel het egoïsme bevordert.

In de werkloosheidsdiscussie spelen irrationele elementen een opvallende rol. Veel politici en deskundigen praten graag over internationale concurrentie maar zwijgen over een internationale arbeidsverdeling die ook arme landen perspectief biedt. Zij nemen kennelijk voetstoots aan dat werkloosheid in Nederland erger is dan overal elders. In de tweede plaats is het vreemd dat economische groei, zelfs binnen de Nederlandse grenzen, nog vaak als remedie wordt genoemd zonder aanduiding van randvoorwaarden voor milieu en beheer van grondstoffen. In de derde plaats is het onlogisch dat zo weinig aandacht wordt besteed aan de verschillen in persoonlijke en maatschappelijke schade die door werkloosheid ontstaat.

Met afschuw nam ik wat dat betreft kennis van de opvatting van de Nederlandse 'sociale partners' (vakbeweging en werkgeversorganisaties) dat veel werklozen ongeschikt zijn om te werken en door arbeidsbureaus onbemiddelbaar verklaard mogen worden. Aan hen behoeven arbeidsbureaus dan geen aandacht te besteden, dat zou immers zonde zijn van de moeite. Het is triest dat de 'sociale partners' met dit voorstel komen, want het rendement van arbeidsbureaus kan ook omhoog zonder werklozen af te schrijven.

In de persoonlijke sfeer levert werkloosheid voor veel mensen schade op omdat ze minder verdienen en sociale contacten, status en zelfrespect verliezen. Voor anderen blijven die verliezen beperkt en is werkloosheid acceptabel dankzij alternatieve bezigheden. Daarnaast zijn er verschillen in maatschappelijke schade. Veel werklozen zijn zinvol bezig, bijvoorbeeld met vrijwilligerswerk, de opvoeding van kinderen, het beoefenen van beeldende kunst, toneel en muziek, het bedrijven van topsport of een studie waarmee ze eerder een betaalde baan kunnen vinden. Bij andere werklozen wordt de schade juist vergroot doordat ze gaan participeren in zwarte en grijze circuits. De schade kan zelfs behoorlijk oplopen als werkloosheid drugsverslaving en criminaliteit veroorzaakt (zie het schema).

Arbeidsbureaus met capaciteitsproblemen zouden minder prioriteit kunnen toekennen aan werklozen als de persoonlijke en maatschappelijke schade beperkt blijft (linksboven in het schema). De werkloosheid die meer persoonlijke en maatschappelijke schade veroorzaakt (elders in het schema) kan dan wat extra aandacht krijgen. In de praktijk kan dat door werklozen - maar dan écht alleen op hun nadrukkelijke verzoek! - voor een bepaalde periode te ontslaan van de sollicitatieplicht. Dat zou mogelijk moeten zijn als werklozen aannemelijk maken dat hun alternatieve activiteiten maatschappelijk gezien nuttig of ten minste acceptabel zijn. Die vrijstelling mag niet onvoorwaardelijk zijn, maar alleen gelden op basis van afspraken over de onbetaalde activiteiten die in de periode van vrijstelling worden uitgevoerd. Die vrijstelling is dan geen capitulatie voor werkloosheid maar alleen een instrument om de capaciteit van arbeidsbureaus beter te benutten.

Tegen die achtergrond is een recht op vrijstelling ook ongewenst, want de toepassing van dit instrument zou afhankelijk moeten zijn van de belasting van de arbeidsbureaus: naarmate de belasting groter is kan dat instrument ruimhartiger worden toegepast. Omdat die belasting afhankelijk is van de capaciteit van arbeidsbureaus en de situatie op de lokale arbeidsmarkt zou het 'vrijstellingsbeleid' een zaak moeten zijn van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening. die kunnen deze factoren beoordelen en afwegen. Ten behoeve van de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid dient dat 'vrijstellingsbeleid' wel enigszins kenbaar en bekend te worden gemaakt voor belanghebbenden.

Werkloosheid die veel schade veroorzaakt krijgt door dit alles meer prioriteit. Bij werklozen die geen aanspraak maken op een tijdelijke vrijstelling van de sollicitatieplicht kan bovendien eerder worden verondersteld dat ze geen acceptabel argument hebben om passend werk of scholing te weigeren. Dat maakt het voor de arbeidsbureaus makkelijker om deze werklozen - als er banen zijn! - onder druk te zetten om werk of scholing te accepteren. Dat vergroot de effectiviteit van de bemiddeling. Daarbij is van belang dat arbeidsbureaus met bepaalde werkgevers afspreken dat ze werklozen met een dubieuze motivatie naar hen kunnen toesturen zonder dat dit schade toebrengt aan de voor de bemiddeling cruciale relatie tussen werkgevers en arbeidsbureaus. Deze voordelen blijven achterwege in het voorstel van de 'sociale partners' terwijl dat voorstel wel zwaarwegende nadelen heeft. In de eerste plaats kunnen werklozen ongewild onbemiddelbaar worden verklaard. Dat kunnen werklozen zijn met een goede motivatie omdat ze werkloosheid als een persoonlijke ramp ervaren. In de tweede plaats kunnen werklozen, die niet willen werken omdat ze verslaafd zijn of actief in zwarte of grijze circuits, inspelen op dat beleid door zich onbemiddelbaar te gedragen.

Juist deze groep verdient extra aandacht omdat bij deze groep de maatschappelijke schade door werkloosheid het grootst is. Het voorstel van de 'sociale partners' leidt juist tot minder aandacht voor deze groep en vergemakkelijkt daardoor het afwijzen van betaald werk en de participatie in die informele en criminele circuits.

    • J.C. Ott