Opvallend herstel van ozonlaag boven noordelijk halfrond

ROTTERDAM, 10 MAART. In de ozonlaag boven het noordelijk halfrond treedt sinds september vorig jaar een opvallend herstel op. Vooral in februari is duidelijk geworden dat de afwijkend lage ozonwaarden van de afgelopen twee jaar dit voorjaar niet zullen terugkeren. Eind januari hadden Britse ozon-deskundigen nog gewaarschuwd voor een extreme ozonaantasting boven Noord-Europa.

Volgens het KNMI was de gemiddelde dikte van de ozonlaag in januari en februari boven Nederland weer bijna 'normaal'. Men verwacht daarom dit voorjaar ook geen afwijkend hoge ultraviolette straling. De nieuwe ozonmetingen door Amerikaanse en Russische satellieten zijn bevestigd door grondwaarnemingen, maar staan geen enkel oordeel toe over de ontwikkelingen op langere termijn in de dikte van de noordelijke ozonlaag, die met ongeveer twee procent per decennium afneemt. De veel extremere ozonaantasting boven de zuidpool was afgelopen herfst ernstiger en uitgestrekter dan ooit.

De recente waarnemingen aan de noordelijke ozonlaag steunen de theorie dat vulkanisch stof in de stratosfeer een belangrijke rol speelt in de ozonaantasting. Het stof van de Filippijnse vulkaan Pinatubo, die in juni 1991 tot uitbarsting kwam, is nu vrijwel uit de stratosfeer verdwenen. Ook na de uitbarsting van de Mexicaanse vulkaan El Chichón in 1982 werden twee jaar lang lage ozonwaarden gemeten.

Volgens de laatste inzichten kunnen chemische reacties aan het oppervlak van vulkanische stof, vooral sulfaatdruppeltjes, het effect versterken van chloor en broom dat uit cfk's en halonen vrijkomt. Na de uitbarsting van de Pinatubo was de concentratie 'sulfaat-aerosol' met een factor honderd toegenomen. De ozonaantasting boven de zeer koude zuidpool staat onder invloed van een ander mechanisme: reacties aan het oppervlak van ijskristallen in de zogeheten paarlmoerwolken

Het KNMI schrijft de lage ozonwaarden die in 1992 en 1993 boven Nederland optraden voor een deel ook toe aan een afwijkend circulatiepatroon. Er is de laatste jaren veel lucht aangevoerd uit de tropen waar de ozonlaag van nature dun is.

Belang en kwetsbaarheid van de ozonlaag staan in de aandacht sinds men eind jaren zestig besefte dat hoogvliegende supersonische vliegtuigen hun reactieve verbrandingsgassen rechtstreeks in de stratosfeer zouden brengen. In 1974 opperden Rowland en Molina de theorie dat chloor en broom uit cfk's en halonen de ozonlaag in een kettingreactie zouden kunnen vernietigen, waarop de uitbanning van cfk-drijfgassen volgde. In 1982 vond Farman het oktober-gat in de ozonlaag boven de zuidpool dat, zo bleek later, al sinds 1975 jaarlijks optrad. De publikatie daarover in 1985 bracht omvangrijk onderzoek op gang. Daarin krijgen 'heterogene' chemische reacties aan ijskristallen en sulfaatdruppeltjes steeds meer aandacht.