Loonstijging in CAO's voorlopig op 1,7 procent

ROTTERDAM, 10 MAART. De CAO-lonen zijn vorig jaar gemiddeld met 3,5 procent gestegen. De loonstijging voor 1994, die volgt uit vorig jaar afgesloten contracten, komt op jaarbasis gemiddeld uit op 1,7 procent.

Dit blijkt uit een rapportage die minister De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Wanneer de vorig jaar afgesloten CAO-lonen voor 1994 worden gecorrigeerd voor overloopeffecten van voorgaande jaren, komt de stijging voor dit jaar uit op 1,5 procent.

Het ministerie van sociale zaken wijst er op dat deze cijfers nog maar een voorlopig beeld geven, omdat 60 procent van de CAO's voor dit jaar nog moet worden afgesloten. Pas als de onderhandelingen daarover zijn afgerond, zal blijken in welke mate werkgevers en werknemers zich hebben gehouden aan het vorig jaar in de Stichting van de Arbeid (waarin de sociale partners vertegenwoordigd zijn) gesloten akkoord om de lonen te matigen in ruil voor werkgelegenheid.

In 1993 zijn in totaal 102 CAO's (collectieve arbeidsovereenkomsten) afgesloten, waarvan er 39 een looptijd hebben tot (of na) 1 januari 1995. De daarin afgesproken loonstijgingen voor 1994 variëren van min 0,8 procent in de CAO voor het beroepsgoederenvervoer over de weg tot 3 procent voor de CAO's in het bakkersbedrijf. Voor het eerst sinds jaren zijn er voor 1994 CAO's afgesproken met een loondaling. Naast het beroepsgoederenvervoer gaat het om het akkoord voor Akzo Fibers/Akzo Engineering met een daling van 0,5 procoent. In 1993 bedroeg het verschil tussen de laagste en de hoogste loonstijging 5,38 procent: nul procent in de CAO's voor de contract-catering en Hoogovens en 5,38 procent in de (al in 1992 afgesloten) cao voor het ziekenhuiswezen. Uit de rapportage van De Vries blijkt verder dat in 83 van de 102 onderzochte CAO's (ongeveer 85 procent van de werknemers) het zogenoemde wao-gat is gerepareerd.