Junior

Roerloos stond hij daar de eerste dagen in de garage, tussen de onuitgepakte dozen, Fernando junior. Vroeg in de ochtend al dook hij op aan de voet van onze kermisbedden. Hij keek hoe we opstonden, hij keek hoe we in en uit liepen, hij keek van de dozen naar ons en van ons naar de dozen. Soms schokte zijn bovenlichaam licht, maar zijn benen bleven onverzettelijk. De hele dag troonde hij daar op zijn plek. Als een plant. Puilogen had hij, donkerblauwe lippen, te lange armen, vlak ouwemannetjeshaar. Toch was hij niet ouder dan achttien, de jongste zoon van Fernando.

(Geen van beiden heten ze Fernando, junior niet en de burgemeester niet, maar ik noem ze zo, omdat ze een naam hebben met een tilde, en tildes komen nooit in de krant.)

Na enkele dagen verscheen er voor het eerst een lach om de blauwe lippen van Fernando junior. Hij begon ons grappig te vinden. Van vreemde wezens uit een ver land waren we begrijpelijke wezens geworden, insecten die vertrouwde en ongevaarlijke banen beschreven rondom zijn lianenbestaan.

Eerst aarzelend, maar al snel baldadig begon hij ons ook te helpen met het sjouwen van dozen, het verschuiven van meubelen, het opzettten van steigers. Hij sleepte grote mandflessen met wijn en kratten bier aan voor de verbouwers, die zoals het verbouwers betaamt altijd dorst hadden. Hij groef kuilen en vulde kruiwagens met stenen en gruis. Hij deed het allemaal niet-begrijpend, maar was nergens te beroerd voor. En hij schaterde het uit als hij weer had laten zien hoe sterk hij was. Luidkeels lachten we met hem mee.

Na een tijd was hij niet meer bij ons weg te slaan. Een uur voor de werklui arriveerden stond hij er al. 's Avonds, als zijn moeder hem kwam halen, sjokte hij met tegenzin weg.

Praten kon hij nauwelijks. Maar de hele dag was er nu die brede grijns op zijn gezicht. Zijn koeieogen kregen iets van een wilde gloed. Soms, als wij ten teken van verstandhouding een gek gezicht naar hem trokken of een dankbaar 'Wow!' lieten horen, moest hij op een steen gaan zitten om het uit te hikken van de pret.

“Hij is nog nooit zo gelukkig geweest”, zei zijn moeder. “Hij lacht nu zelfs in zijn droom.” En ze vertelde dat Fernando junior nooit vriendjes of vriendinnetjes had gehad. Dat de kinderen in het dorp altijd de spot met hem dreven. Dat zelfs zijn eigen broers hem meden.

“En om zo'n kleinigheid”, voegde ze eraan toe, terwijl ze verontschuldigend naar haar hoofd wees. Sommige mensen beweerden dat de traagheid van haar zoon ongeneeslijk was. Ach, de mensen beweerden zoveel.

    • Gerrit Komrij