Japan is bezig zich minder als een 'dinosaurus' te gedragen

Japan richt zich meer op het buitenland. Het land, dat zich na de Tweede Wereldoorlog vooral richtte op de eigen economie, wil nauwer betrokken raken bij internationale ontwikkelingen.

NRC-Handelsbladredacteur W.H. Weenink sprak in Tokio met enkele politieke vernieuwers.

Het Japanse ministerie van buitenlandse zaken maakt op bezoekers niet de indruk dat er een ingrijpende reorganisatie in gang is gezet. Als vanouds - voor Westeuropese ogen doemt een beeld op uit een zeer ver verleden - werken ambtenaren in overvolle burelen achter dikke stapels papieren aan buitenlands beleid.

Toch waait er een andere wind door het departement, dat traditioneel weinig macht had en het in de praktijk meestal moest afleggen tegen de nabij gelegen ministeries van internationale handel en industrie ( MITI) en financiën. In de zomer van vorig jaar, nog net onder het bewind van de Liberaal Democratische partij, kreeg het management van het ministerie een injectie met de oprichting van coördinatiebureau. Dat moest zorg dragen voor het ontwikkelen van een meer initiatiefrijke en samenhangende buitenlandse politiek.

Tot dan toe was buitenlands beleid een ondergeschoven kind in het naoorlogse Japan. Terwijl het land welbewust en energiek uitgroeide tot een economische en financiële reus, die zelfs de Verenigde Staten naar de kroon probeerde te steken, bleef het voeren van buitenlandse politiek een passieve bezigheid, die zelfs geheel aan het parlement voorbijging. Van dag tot dag werd bekeken hoe Japan op politieke gebeurtenissen elders in de wereld moest reageren. Een lange-termijnvisie ontbrak. Geen wonder dat uit buitenlandse hoofdsteden dikwijls verwonderd de vraag kwam of Japan wel een buitenlands beleid had.

Hitoshi Tanaka, als directeur politieke coördinatie verantwoordelijk voor de 'vernieuwing' op Buitenlandse Zaken, kan zich die verbazing wel voorstellen. “Ik ben het ermee eens dat het de Japanse buitenlandse politiek aan zichtbaarheid ontbreekt”, zegt de diplomaat, die jaren op ambassades in Londen en Washington heeft gewerkt. Hij voegt er wel direct aan toe dat hierin sinds de tweede helft van de jaren tachtig geleidelijk verandering is gekomen.

Tanaka legt het omslagpunt al in september 1985, toen de vijf belangrijkste Westerse industrielanden in het Newyorkse Plaza-hotel besloten de koers van de dollar omlaag te brengen. Voor de yen betekende dit een enorme waardestijging, die tot gevolg had dat het plotseling zeer duur geworden Japan met die nieuwe 'rijkdom' zijn investeringen in Amerika, Europa en Azië drastisch opvoerde. Tokio werd zo gedwongen zich intensiever met de toestand in het buitenland bezig te houden.

De val van de Berlijnse Muur was vier jaar later de volgende schok die Tokio's blik op de wereld wijzigde. “Tijdens de Koude Oorlog gedroeg Japan zich voorbeeldig in de rangen van het Westen om het communisme in toom te houden”, aldus Tanaka. Dat moge waar zijn, maar dit tijdperk gaf Tokio vooral de gelegenheid zich verre te houden van het internationaal-politieke toneel.

Het einde van die zo overzichtelijke en voorspelbare wereldorde, waarin Japan door de Verenigde Staten bijzonder werd gewaardeerd als 'bastion tegen de vijand', maakte het land daarom kwetsbaar. Het naoorlogse veiligheidsverdrag met Amerika, dat Japan in staat had gesteld zich volledig op economische ontplooiing te richten en op dat terrein een supermacht te worden, bleef weliswaar onverminderd van kracht. Maar uit Washington en andere Westerse hoofdsteden kreeg de regering in Tokio echter te horen dat ze haar verantwoordelijkheid voor wat er in de rest van de wereld gebeurt niet meer kon ontlopen.

Of het nu de oorlog in de Golf tegen Irak betrof (begin 1991) of de vredesoperatie van de Verenigde Naties in Cambodja (199l-1993), Japan moest zijn bijdrage leveren. In het eerste geval met geld (dertien miljard dollar) in het tweede met geld én (weliswaar ongewapende) troepen.

De coalitie van premier Morihiro Hosokawa, die vorig jaar een einde maakte aan 38 jaar onafgebroken Liberaal-Democratisch bewind, is zich zeer bewust van Japans nieuwe internationale rol. Zo spraken Hosokawa en gastheer Bill Clinton vorige maand tijdens hun, overigens op handelsgebied mislukte, top in Washington af gezamenlijke initiatieven te ontwikkelen om de groei van de wereldbevolking in te dammen en bij te dragen tot verbetering van het natuurlijke milieu in Midden- en Oost-Europa. Voor het eerste doel zal Japan de komende zeven jaar drie miljard dollar uittrekken; voor financiële hulp aan de vroegere communistische landen in Europa stelde het een miljard dollar ter beschikking. Het zijn weliswaar geen wereldschokkende gebaren, maar ze zeggen iets over de bedoelingen van de nieuwe regeerders.

De architect van de Japanse binnenlandse omwenteling en leider van de Vernieuwingspartij, Ichiro Ozawa, heeft zeer uitgesproken - en daarom on-Japans aandoende - ideeën over de manier waarop zijn land zich in de veranderde wereld dient te gedragen. Ze staan in zijn onlangs verschenen boek 'Blauwdrukken voor de bouw van een nieuw Japan'. Om te kunnen overleven moet Japan volgens Ozawa een echte “internationale natie” worden. Anders zal het zijn huidige welvaart en stabiliteit niet kunnen handhaven. Om zijn toekomst zo veilig te stellen is slechts één ding nodig: Japan moet een “normaal land” worden. Het moet ophouden zich politiek in de wereld te gedragen als “een dinosaurus, een beest met een groot lichaam maar met weinig hersens”.

Deze boodschap is ongehoord in een land dat zich juist voorstaat op zijn bijzonderheid, zijn eigenheid, op de superioriteit van zijn cultuur en produkten. De oproep is enigszins vergelijkbaar met het onder Amerikaanse en Europese druk geforceerd beëindigen van het zelfgekozen isolement in het midden van de vorige eeuw, dat Japan in een klap de moderne tijd binnenbracht (Meiji-restauratie).

In Ozawa's visie aanvaardt een “normale natie” bereidwillig de taken die de internationale gemeenschap van haar verwacht en werkt ze zo veel als mogelijk is samen met andere landen. Voor Tokio is afstemming van het beleid met de Verenigde Staten de meest aangewezen weg om bij te dragen aan vrede en stabiliteit in de wereld, stelt Ozawa vast.

Verder moet Japan zich volgens hem actief bezighouden met het leggen van de basis voor een nieuwe wereldorde, waarvan de Verenigde Naties het centrum zijn. Japan zou zelfs een legermacht voor de VN in reserve moeten houden, die een geheel onafhankelijke positie ten opzichte van de bestaande 'zelfverdedigingsmacht' moet innemen en slechts voor vredehandhavende acties kan worden ingezet. Deze militaire eenheden zouden deel uit kunnen maken van een echt VN-leger, als de volkerenorganisatie dit in de toekomst mocht oprichten.

Deze voorstellen zullen echter op korte termijn de Japanse buitenlandse politiek niet beslissend beïnvloeden, ook al is Ozawa de grote inspirator achter premier Hosokawa. Volgens professor Michio Royama, verbonden aan het Instituut voor internationale betrekkingen van de Tokiose Sophia Universiteit, wijken de ideeën daarvoor te veel af van de Japanse traditie van buitenlands beleid zoals die na 1945 is gevestigd. Bovendien is de basis van Hosokawa's regering te fragiel om zo'n drastische koerswijziging in te zetten, stelt hij vast.

Op het ministerie van buitenlandse zaken duidt directeur politieke coördinatie Tanaka duidt de huidige aanpassing van het beleid bij voorkeur voorzichtig aan met de term 'positief engagement'. Hij bedoelt daarmee dat Japan zich op buitenlands-politiek gebied aan het hervormen is en meer betrokken wil raken bij internationale ontwikkelingen. Maar het wil wel zijn “eigen strategie” kunnen bepalen, “zonder dat iemand van buitenaf dat van ons eist.”

Recente wapenfeiten van deze lijn zijn Japans deelname aan het vredesproces in het Midden-Oosten, het sturen van adviseurs naar Bosnië en Macedonië, en begeleiding van het vredesproces in Mozambique. Het houdt allemaal nog niet over, geeft Ryuichi Shoji, directeur onderzoek van het Japanse Instituut voor internationale zaken, toe: “Vijftien tot twintig procent van wat men internationaal politiek van Japan mag verwachten wordt gedaan, maar de trend is bemoedigend.”

Veelbelovender zijn de recente opening van de Japanse markt voor rijst uit onder andere de Verenigde Staten, die eind vorig jaar een succesvolle afronding van de zogeheten Uruguay-ronde over de vrijmaking van de wereldhandel mogelijk maakte, en de import van Amerikaans vlees. Deze manoeuvres waren de eerste overwinningen van het ministerie van buitenlandse zaken op een voorheen machtiger departement - dat van landbouw.

Zo toont Japan bereidheid afscheid te nemen van zijn politieke in-zichzelf-gekeerdheid en van zijn monomane streven om de wereld economisch te veroveren. Het hoopt op die manier het internationale brevet van goed gedrag te verwerven waarmee een permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad binnen bereik komt. Het moet op die weg worden aangemoedigd. Amerika en West-Europa zijn daarvoor de aangewezen partijen, want Tokio ziet Japans plaats in de wereld allereerst binnen een driehoek met de Verenigde Staten en de Europese Unie als partners.

Het bondgenootschap met de Verenigde Staten is hecht gebleven ondanks de spanningen in de handelsbetrekkingen en het recente fenomeen van een Japanse premier die onverbloemd 'nee' zegt tegen Amerikaanse voorstellen om numerieke export-doelstellingen af te spreken. “We delen met Amerika waarden van democratie en mensenrechten en zolang dat het geval is blijft de alliantie intact”, zegt Tanaka van Buitenlandse Zaken.

Beide landen zijn onverminderd op elkaar aangewezen. Voor de Amerikanen blijft Japans strategische positie in Azië aantrekkelijk, al hebben ze deze nu minder nodig dan tijdens de Koude Oorlog. Bovendien is Japan onmisbaar als geldschieter voor internationale operaties. Tokio wil Washington binden in een soort gemeenschap voor Azië en het Stille-Oceaangebied en heeft op dit punt initiatieven in het vooruitzicht gesteld. Zonder rugdekking van Amerika wil Japan het Aziatische avontuur liever niet aan. De band met het Westen wordt nog steeds van grotere waarde geacht dan politieke samenwerking in de regio, hoe belangrijk de hongerige Aziatische markten, zoals in China, voor de Japanse economie ook zijn. (Overigens beseffen Aziatische landen dat ze zich minder zorgen over de aspiraties van Tokio hoeven te maken zolang het veiligheidspact met de Verenigde Staten in tact blijft.)

De relaties met West-Europa vormen de zwakste zijde van de driehoek en algemeen is de klacht in Tokio dat Europa te weinig belangstelling voor Japan en Azië aan de dag legt. Japan heeft omgekeerd die interesse wel, wat ook blijkt uit de investeringspolitiek. Verrassend is het te merken dat Japanse diplomaten de recente ontwikkelingen in Europa veel optimistischer inschatten dan Europeanen zelf en dat ze - in tegenstelling tot wat in Aziatische landen als Singapore en Maleisië wordt gedacht - het oude continent een glorieuze toekomst beschoren zien. De politieke dialoog tussen de Europese Unie en Japan, die in 1991 in gang werd gezet, is bij uitstek geschikt om Tokio's internationale bedoelingen te testen.

Vooropgesteld natuurlijk dat Europa daar oren naar heeft, in beslaggenomen als het is door de zich opstapelende problemen in de eigen 'achtertuin'. Het heeft in dit verband iets ironisch dat de hoogste vertegenwoordiger van de Verenigde Naties in voormalig Joegoslavië de Japanner Yasushi Akashi is.

    • W.H. Weenink