Heronderzoek skelet 541 toont ongelofelijke taaiheid zeelieden; Brekebeen op walvisvaart

Tot dusverre werd aangenomen dat een 68-jarige walvisvaarder, die te boek staat als skelet 541 en in 1980 werd opgegraven door het Arctisch Centrum in Groningen tijdens een expeditie naar Spitsbergen, uit de mast was gevallen. De Groningse ongevalschirurg K.W. Zimmerman heeft de botten nog eens bekeken en reconstrueert in het Nederlands Tijdschrift voor Traumatologie vanuit zijn professie de geschiedenis rond skelet 541 opnieuw.

Omdat boeren in de zeventiende eeuw meer graan en minder oliehoudende zaden waren gaan verbouwen steeg de vraag naar vet. Dat verklaart de opkomst van de Nederlandse walvisvaart. Willem Cornelisz. van Muyden voer in 1612 met de Neptunus naar Spitsbergen om walvissen te vangen. Ze hadden geen ervaring en werden bovendien door de Engelsen verdreven. Maar later ging het beter. Er werd een twaalftal ervaren Baskische harpoeniers en traankokers gecontracteerd, alsmede een Engelse loods. Dit alles begeleid door oorlogsschepen om bij vijandelijkheden bij te kunnen springen.

In Smeerenburg op Spitsbergen woonden 's zomers 200 mensen, die zich bezighielden met deze tak van visindustrie. Bij de gehele walvisvaart waren in die tijd zo'n 10.000 mensen betrokken. Rond 1650 was het gedaan, omdat de toenemende hinder van pakijs de vangst onmogelijk begon te maken.

Vanaf 1614 werd de Zeeusche Uytkyck - nu Ytre Korsk⊘ya - door de Nederlanders als begraafplaats gebruikt, een eilandje voor de noordwestkust van Spitsbergen. Er liggen 185 graven, waarvan er door de Groningse expeditie in 1980 vijftig werden vrijgelegd. Eén van de skeletten - nummer 541 - is dat van een man, die volgens koolstofonderzoek bij zijn overlijden 68 jaar moet zijn geweest en 1.68 meter lang, een normale lengte voor die tijd.

Zijn skelet toont een reeks al jaren genezen botbreuken. Een breuk van het rechter dijbeen is genezen met een verkorting van tien centimeter. Daardoor heeft hij een O-been in een stand van veertig graden en een rechtervoet, die dertig graden naar buiten staat. Er is een botbreuk onder in het linkerdijbeen bij de knie, die niet meer in het gewricht past, dat daardoor ernstig misvormd is en zwaar versleten. Verder toont het geraamte breuken in de tiende en twaalfde borstwervel. De negende en tiende wervel zijn met elkaar vergroeid en vertonen ook vergaande slijtage. De wervelkolom laat bovendien een bochel zien.

Daarnaast heeft hij zowel links als rechts gebroken ribben gehad. Aan beide onderbenen heeft hij de scheenbenen gebroken, die overigens redelijk op elkaar zijn gegroeid. Links heeft hij een polsbreuk gehad, die achterover is vastgegroeid. De arm lijkt hier in de hand 'gestanst'. De ellepijp is daardoor te lang en het spaakbeen te kort. Dat wijst in het algemeen op een val van grote hoogte. Veelal leidde dat uiteindelijk tot verlamming van de armspieren, maar dat kan niet meer worden achterhaald bij deze walvisvaarder. Aan de rechterhand is te zien dat de man bovendien verscheidene middenhandsbeentjes gebroken heeft gehad.

Ernstig gewond

Zimmerman stelt vast dat die fracturen nooit het gevolg hebben kunnen zijn van één ongeval. Zou dat het geval zijn geweest, dan zou sprake zijn geweest van een meervoudig, ernstig gewonde patiënt, die zijn verwondingen in de zeventiende eeuw waarschijnlijk nooit zou hebben overleefd. Hoe ernstig hij gewond was, is vast te stellen aan de hand van de Injury Severity Score (ISS), een afgeleide van de Hospital Trauma Index (HTI), die wordt gehanteerd om de ernst van een letsel uit te drukken. Het is een 'puntensysteem'. Geen letsel is nul, levensbedreigend scoort vijf. De som van de kwadraten van de drie hoogst scorende systemen levert de ISS op.

Aan het skelet kan niet worden gezien of er ook verwondingen waren aan de buik, het hart- en vaatstelsel of de huid. Die krijgen bij nummer 541 dus ook geen punten. Maar wel moet worden aangetekend dat áls er sprake is geweest van een ongeval dat alle breuken tegelijk heeft veroorzaakt, andere organen moeten zijn beschadigd.

Niettemin zouden alleen al de breuken in de borstkas een HTI-score van drie, misschien vier opleveren. Worden qua ernst de fracturen aan benen en armen geteld, dan levert dat een HTI-score van vijf op: levensbedreigend. De vastgestelde HTI's wijzen op een ISS-resultaat van 34 of 41. Deze patiënt zou tegenwoordig onmiddellijk worden beademd en zou dan dertig procent kans hebben toch nog te overlijden. Zou hij in de zeventiende eeuw niet ter plekke zijn gestorven, dan was hij toch bezweken aan vroege complicaties of het uitvallen van vitale organen. Uitgesloten is dus dat al die breuken zijn ontstaan bij één ongeval.

Zimmerman concludeert dat '541' met zijn stijve rechterbeen nooit meer in een mast kon klimmen. Als hij al een keer uit de mast gevallen is dan moet hij daarbij dus zijn linkerbeen hebben gebroken.

Specialist

Vraag is, zo stelt Zimmerman, wat juist deze man op Spitsbergen deed. Dominee of chirurgijn zal hij niet zijn geweest, afgaande op invaliditeit en leeftijd. Hij zal ook niet op maandcontract hebben gewerkt, want dan had hij de werkeloze wintermaanden thuis nooit in zijn onderhoud kunnen voorzien. Hij moet daarom een specialist zijn geweest, waarbij zijn lichamelijke gebreken er minder toe deden. En dat moet een gevaarlijk specialisme zijn geweest, met kans op ongelukken.

Als specialisten golden in die tijd loodsen, traankokers en harpoeniers. Hij kan geen loods geweest zijn, want die waren in de latere jaren niet meer nodig. Evenmin is het waarschijnlijk dat de kapitein een 68-jarige gehandicapte traankoker mee naar Spitsbergen nam.

“We hebben dus te maken met een harpoenier”, zegt Zimmerman. Als jonge zeeman moet hij uit de mast zijn gevallen. Door zijn handicap moest hij zich specialiseren om nog van nut te zijn en hij werd een uitstekend harpoenier. Daarbij zal hij wel eens gewond zijn geraakt en bekneld hebben gezeten, maar alle fracturen zijn één voor één genezen en stonden zijn beroepsuitoefening niet in de weg.

Hij moet dus dertig jaar of ouder zijn geweest toen hij bij de walvisvloot kwam. Om die reden is het niet onwaarschijnlijk dat hij Bask van geboorte was en later tot de vaste bemanning is gaan behoren. Hij moet zijn vak zo goed hebben verstaan, dat hij tot zijn 68ste jaar kon blijven werken. Toen in 1612 de walvisvaart begon was hij dertig of zoveel ouder, want de vaart hield op in 1650. Een redelijk complete biografie aan de hand van botbreuken.

    • Bram Pols