Een trap naar de hemel; Utopische architectuurtekeningen uit het Sovjet-Rijk

Tentoonstelling: 'Avant-garde. Sovjetarchitectuur 1924-1937'. T/m 15 mei in het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, Rotterdam. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u. Catalogus: fl.65 (paperback). Lezingen: 13 mrt (14u30) Gerrit Oorthuys over 'De geschiedenis van de avant-garde in de Sovjet-architectuur', 27 mrt Otakar Macel over 'De doorwerking van de avantgardistische principes in socialistisch-realistische architectuur'. Bernard Hulsman spreekt op 10 apr over 'De politieke achtergronden van de Sovjet-architectuur en stedebouw'. Inl 010-4401201.

Zwevende steden, kuuroorden waar bezoekers verblijven in eenpersoonspaddestoelen temidden van palmbomen, huizen waar het leven van de inwoners tot op de minuut geregeld is. Van alle modernisten hadden de Sovjet-architecten de mooiste visioenen, grootser en meeslepender nog dan die van hun idool Le Corbusier.

'Alle macht aan de architectuur' _ deze slogan kregen de Sovjet-architecten uit de jaren twintig over hun lippen zonder in lachen uit te barsten, zonder een spoortje ironie zelfs. Arrogantere architecten dan zij hebben niet bestaan. Of misschien is arrogant niet het juiste woord; ze hadden ten slotte werkelijk het beste voor met de wereld en waren er heilig van overtuigd dat ze met hun gebouwen het paradijs zouden herscheppen.

Zover is het niet gekomen. De avant-garde architecten kregen in de Sovjet-Unie nauwelijks de kans om te bouwen. De meeste ontwerpen van de constructivistische en rationalistische architecten kwamen niet verder dan de tekentafel. Een stuk of vierhonderd zijn nu te zien op de tentoonstelling Avant-garde, Sovjet-architectuur 1924-1937 in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam.

Eigenlijk zou de regering Lubbers als een van haar laatste daden een oekaze moeten uitvaardigen die een bezoek aan deze expositie voor alle Nederlandse burgers verplicht stelt. Niemand hoeft zich in het Architectuurinstituut te vervelen: leken kijken hun ogen uit bij de prachtig getekende, meeslepende ontwerpen, specialisten krijgen veel te zien dat tot nu toe nergens is getoond, niet in boeken en niet op eerdere tentoonstellingen, zoals Sovjet-architectuur 1917-1987 die in 1988 in de Beurs van Berlage werd gehouden. Verrassend zijn bijvoorbeeld de ontwerpen voor de Leningradse dierentuin uit 1934, waarvan de architect niet eens bekend is.

Nog meer dan in het westen was het modernisme in de Sovjet-Unie verbonden met het socialisme, en met de wil om door architectuur de wereld te verbeteren. Zelfs een eenling als Konstantin Melnikov, de minst politieke van de Russische avantgardisten, rechtvaardigde zijn ontwerpen voor arbeidersclubs met communistische praatjes. Vreemd was dit natuurlijk niet, want de constructivisten en rationalisten werkten in een land waarvan velen dachten dat alles nu echt anders en beter zou worden. Zo was, dacht men, in de eerste socialistische staat de grootste hinderpaal opgeruimd voor een werkelijk planmatige stedebouw. Aan het versnipperde, particuliere grondbezit, waarover de Nieuwe Bouwers in het westen steen en been klaagden, was vlak na de Oktoberrevolutie al een einde gemaakt.

Naar de rommeligheid van het huidige Moskou te oordelen maakt het voor stedebouw niet veel uit of de grond in handen is van particulieren of van de staat; wat dit betreft is de Sovjet-architectuur een mislukking. Maar al heeft de eerste socialistische staat zichzelf opgeheven, de reputatie van de Russische avant-garde is ongeschonden gebleven. Nog steeds bezoeken drommen Delftse bouwkundestudenten de restanten van het glorieuze constructivisme en nog steeds werkt de Russische avant-garde inspirerend voor hedendaagse architecten, met name voor de deconstructivisten.

Dat het faillisement van het communisme niet heeft geleid tot een verguizing van het constructivisme, heeft voor een deel te maken met de pracht van de tekeningen. De meeste westerse modernisten zagen weinig in grootse tekeningen - daar ging het ten slotte niet om in de Nieuw Zakelijke architectuur - maar hun Russische geestverwanten sloofden zich uit om hun getekende gebouwen zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Op de tentoonstelling hangt bijvoorbeeld een grote tekening die de drie constructivistische broers Vesnin maakten van hun immense, nooit gebouwde Paleis voor de Zware Industrie. De tekening toont het paleis in een nachtelijk Moskou: uit een statige kathedraal van glas en staal stroomt zoveel licht dat er geen lantaarns nodig zijn op het naburige Rode Plein. De architect Melnikov laat ons zien hoe de trap naar de hemel eruit ziet en Ivan Leonidov heeft nog nooit geziene, slanke wolkenkrabbers naast een bontbeschilderde koeltoren gezet.

Misschien tekenden de Russische avantgardisten zo mooi, omdat voor bijna alle belangrijke gebouwen in de Sovjet-Unie prijsvragen werden uitgeschreven. Misschien kwam het ook doordat er zo weinig van hun plannen werden uitgevoerd en ze alle tijd hadden om weg te dromen. Met bouwbaarheid hoefden ze niet echt rekening te houden en dus voorzagen ze hun mogelijke bouwwerken van in het Russische klimaat rampzalige glasfacades en deden ze alsof beton en staal ruim voorhanden waren in de Sovjet-Unie.

Van alle modernisten hadden de Sovjet-architecten de mooiste visioenen, grootser en meeslepender zelfs dan die van hun idool Le Corbusier, die als enige buitenlandse architect op de tentoonstelling is vertegenwoordigd. Het verst ging Georgi Kroetikov met zijn vliegende stad waarmee hij afstudeerde aan VChOeTEMAS, het Russische Bauhaus. Heel serieus en heel precies tekende hij een reusachtige, door de ruimte zwevende cilinder, waarin parkeerruimten waren uitgespaard voor druppelvormige eenpersoonsraketjes. Het knappe van zijn ontwerp is dat het, anders dan meeste science-fiction ontwerpen, in niets verwijst naar de twintigste eeuw. Aardser, maar nauwelijks minder utopisch, is Sokolovs ontwerp voor een kuuroord, waar de bezoekers werden ondergebracht in een soort eenpersoonspaddestoeltjes temidden van palmbomen.

Soms ontaardden de dromen in nachtmerries en ontpopten de Sovjet-architecten zich tot tirannen. Dat ze hun arbeidersclubs en collectieve woongebouwen beschouwden als 'sociale condensatoren', als centra waar de nieuwe mens zou worden gevormd, was gezien de communistische ideologie niet zo raar. Maar dat sommigen plannen maakten waarin het leven van alle bewoners van minuut tot minuut werd voorgeschreven is angstaanjagend. Het beruchte schema van de architect Nikolaj Koezmin (6.00 uur: opstaan, 6.00-6.05 gymnastiek, 6.05-6.15 toilet enzovoort tot 22.00 uur: lichten uit) is op de tenstoonstelling afwezig, maar wel is zijn ontwerp voor een gebouw te zien waarin hij zijn concentratiekampleven had gedacht.

Toch zijn ook deze gruwelijke plannen fascinerend. Ze zijn uitdrukking van een modernisme dat tot het uiterste is doorgetrokken en ten slotte even absurde als logische gevolgen had. Iedere architect, en zeker een modernistische, bepaalt in meer of mindere mate hoe de bewoners moeten leven, zo moeten de constructivisten hebben gedacht. Waarom zou hij dan niet alles bepalen en zijn macht gebruiken om de komst van het socialisme te bevorderen? En dus werden de paar communehuizen die in de Sovjet-Unie zijn neergezet, voorzien van krappe woningen zonder eigen keukens, zodat de bewoners waren gedwongen hun eten en vertier te vinden in gemeenschappelijke ruimtes.

De Russische avant-garde was in alles extreem. Niet alleen kwam de wereldverbeterende kant van het modernisme in de Sovjet-Unie het helderst en verschrikkelijkst naar voren, ook in de vormexperimenten zijn de Russen onovertroffen. De laatste kwamen vooral voor rekening van de rationalisten, die, anders dan de constructivisten, de nieuwe mens niet wilden kweken door hem klein te laten wonen, maar door de vormen en kleuren van gebouwen. Niet 'vorm volgt functie' was hun credo, maar 'vorm volgt vorm'. In een 'psycho-analytisch' laboratorium gingen ze na hoe proefpersonen op verschillende vormen en kleuren reageerden om vervolgens met behulp van de onderzoeksresultaten gebouwen te tekenen die het 'revolutionaire bewustzijn' van de bewoners zouden beinvloeden.

De catalogus zou natuurlijk de geschikte plaats zijn om uitgebreid aandacht te besteden aan dit rationalisme, dat tot nu toe altijd in de schaduw van het al lang bewonderde constructivisme heeft moeten staan. Maar helaas worden de rationalistische theorieen slechts aangestipt. Ook in andere opzichten stelt de catalogus, die evenals de tentoonstelling uit Duitsland werd overgenomen, teleur. Meer dan een verzameling specialistische artikelen over onderwerpen als moderne architectuur in Ivano-Voznesensk is het boek niet.

De overgang van het modernisme van de jaren twintig naar het socialistisch realisme van de jaren dertig komt er ook al bekaaid af in de catalogus. Toch is het een prachtig onderwerp: behalve in nazi-Duitsland heeft de overheid nergens zo'n belangrijke rol gespeeld in de twintigste-eeuwse architectuur als in de Sovjet-Unie. De constructivisten mochten zich dan politici wanen, het waren de echte politici die het lot van de Sovjet-architectuur bepaalden.

De grote ommekeer in de Sovjet-architectuur is op de tentoonstelling te zien in de vorm van een aantal prijsvraagontwerpen voor het Paleis der Sovjets. De meeste zijn modernistisch, maar daarvan moest de uit politici bestaande jury niets hebben. Ook de inzendingen van beroemdheden als Walter Gropius, Le Corbusier en Erich Mendelsohn maakten geen kans, de jury koos ten slotte in 1934 een monumentaal ontwerp, dat zich stilistisch ergens halverwege classicisme en art deco bevindt. Het grootste gebouw ter wereld moest het worden, hoger dan het Empire State Building in New York: het zestig meter hoge Leninbeeld bovenop de trots der arbeiders zou boven heel Moskou uittorenen. De bouw van de kolos is nog wel begonnen, maar werd tijdens de Tweede Wereldoorlog stilgelegd. Na de oorlog werden de fundamenten omgetoverd tot een groot openluchtzwembad.

Voor veel buitenlandse modernisten, die in de Sovjet-Unie het beloofde land zagen, kwam het prijswinnende ontwerp voor het Paleis der Sovjets als een schok. Als ze in de voorgaande jaren de architectuurdebatten en de partijmaatregelen beter hadden gevolgd, hadden ze niet zo verrast hoeven zijn. Al in 1930 veroordeelde de Partij in een resolutie de utopische plannen van de constructivisten om de steden uit te smeren over heel de Sovjet-Unie, zodat, overeenkomstig het marxistische dogma, het verschil tussen stad en platteland zou worden opgeheven.xp Daarna raakte het constructivisme steeds meer in het defensief: de arbeiders en boeren, zo was het verwijt van de partijleiders, konden geen waardering opbrengen voor de ornamentloze gebouwen van staal, glas en beton, ze wilden niet in kazernes wonen. Het constructivisme was alleen begrijpelijk voor een culturele elite, het volk wilde feestelijke, monumentale architectuur die het het gevoel gaf dat er in de Sovjet-Unie iets groots werd verricht. Hierin had de partij geen ongelijk: tot op de dag van vandaag is het een probleem van de moderne architectuur dat niet-ingewijden er weinig waardering voor kunnen opbrengen.

Gewoonlijk wordt in boeken en artikelen over Sovjet-architectuur de prijsvraag voor het Paleis der Sovjets als het eindpunt van de avant-garde beschouwd. Maar de tentoonstelling laat zien dat het in 1934 niet in een klap daarmee was afgelopen. De kopstukken van het constructivisme deden hun best om zich aan te passen aan de nieuwe eisen zonder hun verleden te verloochenen. Moisej Ginzboerg bouwde in 1935 in Kislovodsk een sanatorium dat de classicistische symmetrie en driedeling verenigde met de soberheid van de jaren twintig, en de gebroeders Vesnin deden iets soortgelijks in hun nooit gebouwde woningencomplex aan de oever van de Moskva in Moskou. Maar hun concessies waren niet voldoende: na 1937 was in de socialistisch-realistische bouwwerken geen spoor meer te bekennen van de avant-garde. Het was alsof de Sovjet-Unie nooit zoiets als het constructivisme had gekend.

    • Bernard Hulsman