Een heks in Tirol

Een zwarte kat liep dwars over de weg en verdween in de bocht. De vage folder had een wandeling van twee uur beloofd, terug naar ons vakantiedorp: “een Forstweg, langzaam omhoog, daarna omlaag”. “Oostenrijkse uurtjes zeker”, had mijn man de laatste twee uur verzucht. Na drie uur lopen hadden we pas de top bereikt. Het begon weer te sneeuwen en over een uur zou het donker zijn.

Wat deed die kat hier. Van achter de bocht meldde zich ook nog een hond, diep en dreigend. Mijn knieën, al vermoeid door het klimmen, knikten haast. Links stond een huis, half verscholen tussen de bomen. Rechts gaapte een afgrond. Daar had je die hond, een kalf van een beest, die grommend onze weg versperde. We bleven staan.

Een oud huis van donker hout. Met houtsnijwerk zoals ze het honderd jaar geleden nog konden. Op elke vensterbank zat een zwarte kat. Ik telde er zeven. Hun ogen lichtten als groene schijnwerpers. Een kat sneed ons de weg terug af. De hond blafte. Hij kwam niet dichterbij, maar liet duidelijk blijken dat wij het ook niet in ons hoofd moesten halen.

“Jaa-ha-ha, Fido, Fido, hier”, klonk het van binnen met wat me een engelenstem leek. Kwispelstaartend liep de hond naar het balkon. Een vrouw kwam naar buiten waggelen: de Venus van Willendorf, reuzenformaat. Blauwe ogen, verscholen in het bolle vet van de wangen. Blonde haarslierten tot onderaan de machtige borsten die als meelzakken op de uitpuilende buik steunden. Maar die stem, die stem! Een coloratuursopraan zong, golfde en deinde in het dennenbos, het zweefde en schalde van de bergtoppen terug. Een zee van een stem waarin je verzonk. Ze liefkoosde de hond die kopjes gaf. Ze schold hem cantabile uit - in het Hoogduits. “Na was machst du denn, komm doch, still doch, Fido...” Een stem als een kerkklok, zuiver, melodieus... Ze moduleerde informatie in de zuiverste Bühnenaussprache die de oude Theodor Siebs ooit voorgeschreven had. Jazeker, deze weg liep naar Klafter, wel werd hij smaller. Ze hield het beest vast tot we het huis gepasseerd waren. Wat deed die vrouw in deze woestenij! En die katten! En dat beest? Het monster! Hij kon niet nalaten ons een laatste snauw na te zenden en weer schalde de kristallen stem door berg en bos: Fido, stil nou maar!

Pad? Dennetakken bedekten de drassige grond en voor we het wisten verzonken we tot onze enkels in het moeras. Waar was dat vermaledijde pad? Er stonden nog twee duidelijke gebouwen, vervallen het ene, onaf het andere, en de bomen van het bos. Geen pad. Wat nu? De zon zou gauw ondergaan. Teruglopen? Naar die Cerberus van een hond zeker? En naar die heks? We zaten in de val! Straks zou het bos weergalmen van haar snerpend gelach: Haaaa-ha-ha. Met de groeten van de gebroeders Grimm. Ver beneden zag je tussen de bomen Klafter liggen. Maar het was wel heel erg ver en steil naar beneden. Wenn ich ein Vöglein wär...

Het dringt ineens tot je door. Zo gemakkelijk kan het dus afgelopen zijn. Een boswandelingetje brengt je de beschaafde wereld uit, vrij naar Dante. Een brede weg verdwijnt in een moeras, een Cerberus als poortwachter. En die reuzin als sirene? De onderwereld, was hier soms een ingang?

Als eerste geeft je brein het op. De kinderen..., je moeder... de tranen, twee maar, bevroren op mijn kin. Het sneeuwde en de zon zonk snel. Resoluut liep mijn man terug.

Nee, mevrouw hoefde zich geen zorgen te maken, zong de kristallen stem, het zou nu gauw ophouden met sneeuwen. En dat pad, links van het vervallen huis begon het, maar... het was wel smal! De stem schalde en droeg, de stem steunde en wees de stenen aan, geen pad, een soort reuzentrap. Met sidderende handen, met trillende benen daalden we af op de tast. Als de stenen dicht langs de afgrond voerden, dacht ik met koude ontzetting aan mijn man die hoogtevrees heeft. Maar de sneeuwval was plotsklaps gestopt, en het leek of het lichter werd naarmate we afdaalden.

    • Julia Quak-Stoilova