'Artsen vaak huiverig voor diagnose misbruik'

Vaststellen van seksueel misbruik zal nooit eenvoudig worden. De commissie die vandaag rapporteerde over dit onderwerp, verwacht wel dat hulpverleners minder 'kopschuw' worden met de nieuwe spelregels.

DEN HAAG, 10 MAART. De voorzitter van de commissie die richtlijnen heeft opgesteld over hoe hulpverleners moeten handelen bij vermoedens van seksueel misbruik van jongeren, de seksuoloog F. Wafelbakker, spreekt van “een wereldprimeur”. “Voor het eerst in de hele wereld hebben vijf verschillende beroepsgroepen - psychiaters, psychologen, orthopedagogen, kinder- en jeugdartsen - overeenstemming bereikt over een protocol dat aangeeft welke signalen kunnen wijzen op seksueel misbruik van kinderen en hoe hiertegen dient te worden opgetreden”, zegt Wafelbakker.

Bijna vier jaar lang heeft het geduurd voordat de belangrijkste Nederlandse deskundigen op het gebied van het onderkennen van seksueel misbruik bij kinderen het eens werden over spelregels voor dit terrein. “Het duurt nu eenmaal lang om te bereiken dat de beroepsgroepen aan elkaar wennen. Ze spreken immers allemaal een verschillende taal”, zegt Wafelbakker.

Op 19 mei 1989 werd de commissie door de hoofdinspecteur jeugdhulpverlening van het ministerie van WVC, drs. H. van Dijk, gevraagd “met voortvarendheid” een protocol op te stellen. Een heldere lijst met regels voor hulpverleners over hoe te handelen bij vermoedens van incest was immers broodnodig geworden nadat op kleuterdagverblijf De Bolderkar in Vlaardingen was gebleken dat een experimenterende orthopedagoge te gretig en onzorgvuldig was geweest bij het opsporen van seksueel misbruikte kleuters. De zaak baarde veel opzien en hulpverleners en justitie kregen zoveel kritiek te verduren dat de bestrijding van seksueel misbruik in gevaar dreigde te komen. Vijf jaar later ligt er nu een kloek, honderddertig pagina's tellend rapport dat op alle vragen antwoord moet geven.

“Er is ontzettend veel behoefte aan dit rapport”, zegt Wafelbakker, voormalig inspecteur jeugdgezondheidszorg van WVC. Een congres van hulpverleners dat volgende maand het protocol zal bespreken was in een mum van tijd met vijfhonderd deelnemers volgeboekt. Seksueel misbruik van kinderen mag dan de laatste tien jaar bespreekbaar zijn geraakt, onder hulpverleners bestaat nog grote onzekerheid over hoe men ermee om moet gaan. “Er zijn nog steeds heel veel kinderartsen die niet in het onderbroekje van een kind durven te kijken omdat ze zich geen raad weten met mogelijke signalen”, zegt de secretaris van de commissie, L. Raijmakers.

In het rapport wordt een uitputtende opsomming gegeven van gedrags- en lichamelijke signalen die per leeftijdscategorie een indicatie kunnen vormen voor seksueel misbruik. De deskundigen beklemtonen dat meer dan één signaal noodzakelijk is voor het vermoeden van seksueel misbruik. “Het blijft steeds noodzakelijk andere verklaringsgronden voor de signalen te overwegen, te formuleren en zonodig te onderzoeken.”

Ook met een lijst van signalen zal het moeilijk blijven onomstotelijk seksueel misbruik te constateren. “Er bestaat helaas geen lakmoesproef om incest te kunnen vaststellen”, zegt Wafelbakker. “Het enige onomstotelijke bewijsmiddel is als je sperma van de vader in de vagina van zijn dochtertje aantreft, maar dat is bij nog levende slachtoffers zelden het geval”.

Een van de opvallende conclusies van de commissie is volgens Wafelbakker de aanbeveling om bij ernstige vermoedens van seksueel misbruik van kinderen binnen het gezin niet te snel over te gaan tot het uit huis laten plaatsen van mogelijk gedupeerde kinderen. “Je loopt het risico dat je een kind nog erger treft door het te snel te willen veilig stellen. Ook in de Bolderkar-zaak was men te eager om het kind uit zijn ouderlijk huis te halen, maar dan breng je het mogelijk in loyaliteitsproblemen. Als je echt bang bent dat misbruik doorgaat, kun je beter overwegen om de vader of de moeder uit het gezin te halen”.

De commissieleden konden het niet helemaal eens worden over een meldingsplicht voor hulpverleners. Een aantal leden wilde dat hulpverleners verplicht moeten worden onder andere justitie in te schakelen als men misbruik vermoedt. Andere deskundigen zijn bang voor een meldingsplicht omdat ze vrezen zelf niet eerst nader onderzoek te kunnen verrichten. Als compromis is nu gekozen voor een meldingscode die erin bestaat dat door onafhankelijke bureaus vertrouwensartsen worden ingeschakeld.

Wafelbakker verwijst naar de situatie in de Verenigde Staten, waar strikte justitiële meldingsplichten tot gevolg hebben dat ongeveer één miljoen van de in totaal twee miljoen gevallen van seksueel misbruik die worden gemeld, bij nader onderzoek ongegrond blijken. Anderzijds bestaat het vermoeden dat de helft van de gevallen van seksueel misbruik van kinderen in de VS niet zou worden gemeld als er geen verplichting bestaat omdat hulpverleners opzien tegen de beroering die een aangifte teweeg brengt.

Ook in Nederland zijn volgens Wafelbakker veel hulpverleners bang de diagnose seksueel misbruik te stellen. Artsen en pedagogen worden door mogelijke verdachten onder een enorme druk gezet als ze van seksueel misbruik worden beschuldigd. Een van de leden van de commissie is onlangs, nadat hij de conclusie had getrokken dat een kind seksueel was misbruikt, moeten verhuizen omdat het ernstige bedreigingen van familieleden van het vermeende slachtoffer bleef regenen. De commissie hoopt dat met de nu vastgelegde regels in het rapport hulpverleners minder kopschuw worden omdat ze nu in ieder geval kunnen uitleggen volgens de regels van het boek te hebben gehandeld.

    • Marcel Haenen