Veldkamp heeft respect voor zijn grote, sterke broer Koss

De Olympische droom, Ned.1, 23.22-00.13u.

Schaatsen, we kunnen er maar niet genoeg van krijgen. Twee weekendjes ijs per jaar is niet voldoende om onze schaatsbehoefte te bevredigen. Daarom kijken we naar schaatsen, op de televisie, urenlang. Urenlang gebeurt er niets, hoe de verslaggevers ons ook proberen te overtuigen dat er wèl iets gebeurt. Dat de mensen rondom de schaatsbaan niet voor niets uitbundig zijn uitgedost.

Schaatsplezier wordt ons opgedrongen als een verdovend middel tegen het overspannen leven. Totdat we uit onze schaatsdroom ontwaken. We worden opgeschrikt door een fenomenale sportman, een Noor die onze jongens leert hard te schaatsen. Johann Olav Koss verovert tijdens de Winterspelen drie gouden medailles op onze schaatsers en breekt en passant drie wereldrecords.

Omdat we er maar niet genoeg van krijgen, schotelt de NOS vanavond een tweeluik voor van Johann Olav Koss en Bart Veldkamp. Omdat ze beiden op de Winterspelen van 1992 al 'goud' wonnen en omdat ze vrienden zijn, die zich bijna onafscheidelijk hebben voorbereid op 'Lillehammer '94'. 's Zomers samen op het Nederlandse strand vliegeren ze. Samen op het terras praten ze over elkaars zwakke en sterke punten. En ze praten wat af, de twee schaatsers. Over 'De Olympische Droom'.

Ze blijken openhartige sportmensen. Ze blijken allebei heel onzeker, heel kwetsbaar. Zoals topsporters zijn. Veldkamp is nog onzekerder dan Koss. Dat vechten tegen de angst dat het niet lukt. “Er zit een negatief iemand in mezelf.” Het is aandoenlijk hem te zien woekeren. Zoals tijdens de vijf kilometer op de Winterspelen, waarna hij zegt: “Ik heb weer niet gedaan wat ik met mezelf heb afgesproken.”

Veldkamp wekt de indruk een loser te zijn. Hij wentelt zich in zijn ellende. Hij blijft maar vragen en krijgt niet wat hij ècht hebben wil: “Soms denk ik: had ik maar niet die gouden medaille in Albertville gewonnen.” Altijd weer die strijd tegen de mensen die zeggen dat hij het niet meer kan. Maar hij wil het niet opgeven, hij wil zijn gelijk halen.

Hij heeft veel respect voor Koss. Meestal loopt hij achter Koss, alsof hij zich verschuilt achter zijn grote, sterke broer. Hoewel Koss ook onzeker en kwetsbaar is. Zo humeurig als Koss in december vorig jaar was. Met niemand kon hij communiceren. “Waar zijn we in Gods naam mee bezig?”, verzucht hij terwijl hij al weer zijn schouders onder zware halters schuift. Maar: “Als je onzeker bent, vind je nieuwe mogelijkheden.” Koss kan zijn depressies hanteren, Veldkamp nauwelijks. Mogelijk dankt Koss dat aan de twee mollige Noorse psychologes die we zien en horen. “Ik toneelspelen?”, zegt Koss. “Dat is typisch Nederlands om dat van mij te denken. Ze denken dat ik slimmer ben dan ik echt ben. Ik heb geen geheimen.”

Fascinerend zijn de beelden waarop Koss in de zomer als een kikker van de onderste rij van een tribune naar de bovenste rij springt. Veldkamp moet halverwege afhaken. “Dat kunnen wij niet”, zegt Veldkamp. Koss heft zwaardere gewichten, hij hinkt en springt verder. Alles is kracht bij hem. Hij noemt Veldkamp 'the dancing queen', een technische schaatser. Veldkamp zegt zijn souplesse te verliezen wanneer hij veel aan krachttraining doet. Hij is beter in skeeleren en natuurlijk in fietsen, zo blijkt uit de beelden.

We zien Koss Veldkamp en andere tegenstanders aanmoedigen. Omdat hem dat is geleerd, dat geeft hij toe. “Door intensief zelfonderzoek.” Dat heeft hem 'beter' gemaakt, voor anderen op te komen. Hij dankt Bart, zijn vriend, tenslotte voor zijn inspiratie in al die maanden van voorbereiding. Veldkamp vraagt in alle oprechtheid aan Johann, zijn vriend, of hij hem vanaf nu wil helpen. Door hem straks te vertellen hoe hij dat heeft gedaan, “dat negatieve uitbannen”.