Maleisië: nieuwe welvaart verzacht etnische tegenstellingen

Het oosten van Azië is een van de vitaalste politiek-economische delen van de wereld. Zeker 10 landen behalen groeicijfers waar elders jaloers naar wordt gekeken. Deel zes van landenportretten onder de titel De Nieuwe Kracht van Azië.

KUALA LUMPUR, 9 MAART. In Maleisië kan de doemdenkende Europeaan, die gewend is geraakt aan bezuinigingen en ontslagen, zich laven aan onversneden optimisme. In deze na China snelst groeiende economie van Azië heeft iedereen vertrouwen in de toekomst, worden hard werken en risico's niet geschuwd, speculeren huisvrouwen op de effectenbeurs en lokken ondernemers schaarse werkers met hoge lonen.

Maleisië industrialiseert in een adembenemend tempo: op de export-toptien zijn rubber, tin en tropisch hout allang verdrongen door video-apparatuur en air-conditioners. De economie groeit zo hard dat in de hoofdstad Kuala Lumpur de stroom regelmatig uitvalt, telefoonlijnen voortdurend zijn bezet en het verkeer vastloopt.

“Dit is geen samenleving, maar een marktplaats”, meent een journalist, “men drijft handel met elkaar, dat is alles.” De islam is de nationale godsdienst, maar moslims vormen nog niet de helft van alle Maleisiërs. De drie grootste bevolkingsgroepen, Maleiers, Chinezen en Indiërs, leven vreedzaam langs elkaar heen dank zij de nieuwe welvaart die de onderlinge tegenstellingen verzacht. In de wachtruimte van een spaarbank houden een jonge Chinese in strakke minirok en een gesluierd moslim-meisje in allesbedekkend bloemetjesgewaad twee stoelen afstand. Tijdens de vasten haalt de politie moslim-Maleiers uit de eethuizen, terwijl de Chinezen hun Nieuwjaar vieren met copieuze maaltijden.

De nationale taal is het klassieke Maleis, dat onder Brits bestuur in de verdrukking raakte; de moderne woordenschat (imigresen, teksi, universiti) is ontleend aan het Engels. Het Maleis geldt als onaantastbaar nationaal erfgoed, dat alle burgers zich eigen moeten maken, maar als de regering haar zin krijgt, wordt Engels binnenkort de voertaal aan de hogescholen. Dit om bij te blijven in de onderwijsrace en een exodus van studenten te voorkomen.

Maleisië is een federatie van hoofdzakelijk vorstendommen met een roulerend koningschap. Prinsen beleggen hun familievermogens in het florerende bedrijfsleven, en zakenlieden zonder blauw bloed haken naar honoraire adellijke titels als Datuk en Tan. Het land kent een meerpartijensysteem, maar bijna iedereen stemt 'etnisch'. De al decennia regerende coalitie van Maleise, Chinese en Indische partijen is zo hecht omdat de deelnemers tot elkaar veroordeeld zijn. De Maleiers beheersen de bureaucratie, de Chinezen het zakenleven en de Indiërs de vrije beroepen.

Die stabiliteit heeft vruchten afgeworpen. De afgelopen zes jaar groeide de economie met gemiddeld 8,7 procent en steeg het hoofdelijk inkomen van 1.936 naar 3.275 Amerikaanse dollars per jaar. Een onstuimige ontwikkeling die wordt beteugeld met een verstandig monetair beleid; de inflatie bedroeg vorig jaar maar 3,6 procent. Van de 19 miljoen Maleisiërs is 3 procent zonder werk, voor een ontwikkelingsland een laagterecord. Inmiddels bestaat zeventig procent van Maleisiës exportpakket uit industrieprodukten, waarvan bijna de helft consumentenelektronica en micro-chips. Ontwikkelingshulp is te verwaarlozen; op de kapitaalrekening geven buitenlandse investeringen de toon aan.

Verbaasde westerlingen reppen van een 'economisch wonder', maar Maleisiërs vinden die woordkeus ongelukkig. Een bankier in Kuala Lumpur: “Het was geen kwestie van geluk of zegen, maar van verstandig beleid en hard werken.” Toch had Maleisië een aantal dingen mee. Het erfde van de Britten een relatief goede infrastructuur die het een voorsprong gaf op buurlanden als Thailand en Indonesië. Het hoefde niet te vechten voor zijn onafhankelijkheid en daarom voelden de Maleisiërs geen vreemdelingenhaat en beschouwden zij de Britten na 1957 als partners. De economie was in de jaren zestig nog grotendeels afhankelijk van rubber en tin en moest het dus hebben van de internationale markt. En zo bleef het onafhankelijke Maleisië openstaan voor de buitenwereld.

Professor Mohamed Ariff, decaan van de economische faculteit van de University of Malaya, schrijft het recente succes vooral toe aan het consistente, liberale beleid. “We zijn geïnspireerd door het voorbeeld van Japan en de 'tweede generatie Japans': Zuid-Korea, Taiwan en Hongkong en we hebben geleerd van andermans fouten: Latijns Amerika, dat heilig geloofde in importsubstitutie en hoge tariefmuren optrok, en de tragische afgang van buurland Birma. Toen niemand nog van Kuala Lumpur had gehoord, was Rangoon het kloppende hart van Zuidoost-Azië. Birma werd door zijn leiders afgesloten van de buitenwereld en raakte in de versukkeling. Maleisië koos voor een open economie en een liberaal beleid.”

Een buitenlandse ondernemer steekt zijn bewondering voor de Maleisische leiders niet onder stoelen of banken: “Neem minister van internationale handel en investeringen Rafida Aziz, neem vice-premier en minister van financiën Anwar Ibrahim, neem premier Mahathir zelf. Dit zijn goed opgeleide, pragmatische lieden met een visie, die richting geven aan de economische ontwikkeling.” Het buitenland putte niet alleen vertrouwen uit Maleisiës relatief liberale koers, maar ook uit 's lands voorspelbaarheid. De verkiezingsuitslagen laten al meer dan twintig jaar nagenoeg hetzelfde beeld zien. Dat is te danken aan de onaantastbare positie van UMNO, het politieke bolwerk van de bumiputera ('zonen van de aarde', autochtonen), de gebruikelijke aanduiding voor de Maleiers, Maleissprekende moslims die zo'n 47 procent uitmaken van de bevolking.

De Britse residenten lieten de Maleiers links liggen. Zij erkenden de sultans als religieuze leiders en lieten deze feodale, agrarische samenlevingen verder ongemoeid. Voor de economische exploitatie van hun ambtsgebied schakelden zij anderen in: Chinezen in de tinmijnen en Tamil-arbeiders op de rubberplantages. Zo bleven de Maleiers, meest zelfvoorzienende boeren, buiten de economische hoofdstroom. Tegen de tijd dat Maleisië onafhankelijk werd, controleerden buitenlanders en Chinezen de export, werden de meeste banen ingenomen door Chinezen en Indiërs en speelden de Maleiers economisch geen enkele rol.

Niettemin vormden zij de grootste bevolkingsgroep en hun politieke partij, de United Malay National Organization (UMNO), maakte zich na de onafhankelijkheid meester van het staatsapparaat. De Chinezen en Indiërs, met respectievelijk 35 en 10 procent forse minderheden, richtten eigen partijen op. Om hun belangen veilig te stellen sloten zij een verbond met UMNO dat doet denken aan de 'pacificatie' tussen de Nederlandse zuilen na de Eerste Wereldoorlog. De gemeenschappen communiceren nauwelijks, maar hun leiders doen politieke zaken en verdelen de ministersposten.

Na de ernstige rassenrellen in 1969 lanceerde UMNO de Nieuwe Economische Politiek (NEP), een programma voor de emancipatie van de Maleiers. De NEP was bedoeld als een overgangsmaatregel om de bumiputera in de gelegenheid te stellen hun achterstand in te lopen op met name de ondernemende Chinezen. Het streven was de Maleiers binnen twintig jaar een aandeel van dertig procent te bezorgen in de nationale economie. Daartoe kregen zij toegang tot goedkoop krediet, de aandelen werden hun bijna gratis aangeboden en via quotasystemen werd voor hen een vast aantal plaatsen ingeruimd aan instituten voor hoger onderwijs. Om de aandelen van de economisch onervaren Maleiers te beheren werden zogenoemde bumiputra-holdings opgericht, die intussen grote vermogens beheren en UMNO-politici een ferme vinger gaven in de economie.

Er bestaat kritiek op de starre regelgeving van de NEP en de manier waarop bureaucraten en politici zich meester hebben gemaakt van de bumiputera-aandelen, maar een en ander heeft de Maleiers bevrijd uit hun cocon, hun hulpmiddelen gemobiliseerd en hen betrokken bij het economische leven. Dit droeg bij aan de groei, maar zorgde vooral voor politieke stabiliteit, met de infrastructuur en het relatief hoge onderwijspeil, één van Maleisiës grootste attracties.

Na de recessie van 1983-1985 gooide Kuala Lumpur de economie open: buitenlandse ondernemingen mogen sindsdien voor honderd procent eigenaar zijn van Maleisische vestigingen, mits zij tachtig procent van hun produktie exporteren. Van multinationale ondernemingen die vooral op de binnenlandse markt opereren, wordt verwacht dat zij een aandeel van dertig procent reserveren voor bumiputra-holdings. Dit liberaliseringsbeleid ontketende de recente forse groei: Japanners, Taiwanezen, Singaporezen, Amerikanen en Europeanen openden in hoog tempo fabrieken in Maleisië.

Hoewel voor 1994 een economische groei van 8,5 procent wordt voorspeld, zijn er tekenen dat Maleisië niet op zijn lauweren kan rusten. De snelle groei leidt tot oververhitting: de infrastructuur kreunt vervaarlijk, er is een nijpend tekort aan geschoolde arbeidskrachten en managers, de beste krachten worden weggekocht en de loonkosten stijgen in rap tempo. In 1993 liepen de buitenlandse investeringen met liefst 66 procent terug, voornamelijk als gevolg van de recessie in Japan en Europa en het beleid van Taiwan om investeringsmiddelen te reserveren voor een binnenlandse herstructurering.

Er is ook sprake van kapitaalvlucht uit Maleisië naar het veelbelovende China, waar de kosten aanzienlijk lager liggen en de markt schier onbegrensd is. Ondernemers en economen waarschuwen dat Maleisië zichzelf te lang verkocht heeft als een economie met een arbeidsoverschot, wat het niet is. De regering zal zijn schaarse arbeidskrachten moeten opwaarderen en zich verder moeten toeleggen op technisch geavanceerde produktieprocessen om de stijgende kosten te kunnen opvangen met een hogere arbeidsproduktiviteit.

Toch gaat het Maleisië voor de wind en zijn leiders blaken van zelfvertrouwen. De premier, dr. Datuk Seri Mahathir bin Mohamad, zou het economische succes van zijn land graag vertaald zien in internationaal aanzien. Het liefst zag hij dat Maleisië zo hoog scoorde in de wereld dat het de moeite waard werd om Maleis te leren, naar analogie van het Japans. Mahathir werpt zich op als kampioen van de Derde wereld en mag het Westen, dat ontwikkelingslanden zo vaak kritiseert op het vlak van democratie en de rechten van de mens, graag tracteren op een koekje van eigen deeg.

Zijn jongste escapade, de uitsluiting voor onbepaalde tijd van Britse firma's voor Maleisische overheidsorders, is ingegeven door artikelen in de Britse pers over de vermeende omkoopbaarheid van Maleisische politici, Mahathir zelf inbegrepen. Als het hardnekkige gerucht overigens op waarheid berust dat de Britse regering destijds een grote defensieorder in de wacht heeft gesleept door de Maleisiërs een zachte lening te verstrekken voor de bouw van een stuwdam, dan hebben de Britten eenzelfde hoeveelheid boter op hun hoofd. Door in het openbaar boos te worden heeft Mahathir de aandacht gevestigd op beide kanten van deze transactie.

Mahathirs periodieke donderpreken aan het adres van 'decadente' Amerikanen, Europeanen en Australiërs zijn vooral een hartversterker voor binnenlands gebruik. Een Westerse zakenman in Kuala Lumpur: “Wij nemen dit met een korrel zout; de man moet zijn achterban in eigen land tevreden stellen, maar is veel pragmatischer dan hij zich voordoet.” De soep wordt dan misschien niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend, menige Maleisische zakenman zag liever dat hij wat lauwer werd geserveerd. West-Europa en de VS behoren immers tot de belangrijkste handelspartners van Kuala Lumpur en in Zuidoost-Azië houdt men niet van confrontaties. Maleisische zakenlui voelen zich door Mahathirs ontboezemingen in verlegenheid gebracht tegenover hun Westerse relaties. Professor Ariff: “We zijn te klein voor zoveel aandacht; teveel zichtbaarheid is niet goed, het schaadt de zaken.”

Tot dusverre zijn Mahathirs tirades eerder luidruchtig dan effectief. Zijn meest aandachttrekkende denkbeeld, de in december 1990 gelanceerde Oostaziatische Economische Groep (EAEG), behelsde aanvankelijk een Aziatisch alternatief voor de Europese Unie en de Noordamerikaanse vrijhandelszone (NAFTA). Maar de Amerikanen zagen er een poging in tot uitsluiting van Washington en deden het plan meteen af als ondermijning van APEC, het losse samenwerkingsverband van 17 landen aan weerszijden van de Stille Oceaan. Mahathir moest hierop zijn idee, mede onder druk van Singapore en Indonesië, terugbrengen tot een 'Oostaziatisch overleg binnen APEC'. Het aldus omgedoopte project blijft voorlopig in de lucht hangen, maar, zo redeneert men in Kuala Lumpur, als de VS de handelsoorlog verklaren aan Japan, zou Tokio deze Mahathir-club wel eens kunnen beschouwen als een Aziatisch vangnet.