Hoogdravend alibi voor een verhaal over een kleine, verliefde sjacheraar; Kieslowski laat de slapstick los op Polen

Trois couleurs: blanc. Regie: Krzysztof Kieslowski. Met Zbigniew Zamachowski, Janos Gajos, Julie Delphi. In 10 theaters.

Krzysztof Kieslowski legt zichzelf plichten en taken op. In de tweede helft van de jaren tachtig nam de Poolse cineast de missie op zich om, in een tiendelige serie films die hij Dekaloog noemde, het hedendaags effect van de bijbelse tien geboden in kaart te brengen. Sedert vorig jaar onderzoekt hij, nu met drie films die hij benoemt naar de kleuren van de Franse vlag, wat in deze tijd de levensbeginselen inhouden die werden bevochten in de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid, broederschap. Tenminste, dat is de theorie achter deze films. Die valt nog minder serieus te nemen dan die achter de Dekaloog.

Waren de tien geboden en hun betekenis soms al ver te zoeken in de Dekaloog, in de twee Trois couleurs-films die Kieslowski inmiddels voltooide zijn respectievelijk de Vrijheid en de Gelijkheid er nog meer met de haren bij gesleurd. In het geval van Trois couleurs: bleu leidde het tot een pretentieus relaas over een jonge vrouw die met de dood van haar man haar vrijheid zou winnen. Een puur theoretisch en kil verbeeld uitgangspunt waar Kieslowski, ondanks dramatische bombast in verhaalverloop, vormgeving en muziek, geen leven aan wist te verlenen en wat leidde tot een film die uiteindelijk helemaal niets te melden had over wat de 'moderne vrijheid' zou kunnen inhouden.

Net zo min 'onderzoekt' Kieslowski met zijn nieuwste film, Trois couleurs: blanc wat de achttiende-eeuwse notie Gelijkheid betekent voor de mens aan het eind van de twintigste eeuw. Net als in de 'bleu'-film wordt de kleur uit de titel arbitrair en kinderlijk benadrukt. Wit, dat is het wit van een bruidsjurk, van de poep van een Parijse duif op een versleten overjas, van een wc-pot waarin wordt gebraakt, van sneeuw en ijs in een vredig Pools boerenlandschap. Wat deze voorbeelden van wit-zijn met elkaar of met Gelijkheid te maken hebben, blijft in het ongewisse. Het even lukraak als geladen accentueren van de kleur wit wordt ronduit mal wanneer Kieslowski het associeert met het orgasme van de grote liefde van de hoofdpersoon, wat ook figuurlijk de climax van de film is. Ein-de-lijk is hij in staat zijn aanbedene te bevredigen. Haar hoofd knakt achterover en haar blik voert ons mee in een witte vlek die het complete beeld vult - de vrouw die dat herkent mag het zeggen.

Ondanks niet-ingeloste pretenties, lege theorie en loze beloften werd Trois couleurs: blanc toch een aardige film. Dat komt doordat Kieslowski het zich na jaren weer eens permitteerde om een verhaal te vertellen zoals het hem goed afgaat, maar zoals hij het in lang niet meer deed: over een kleine man met grote dromen die grote problemen teweegbrengen. Als Kieslowski voor een vrouw als hoofdpersoon koos, zoals bij een aantal van zijn recente films, dan vervlakte zijn verhaal direct. Vrouwen zijn voor hem meestal een soort buitenaardse wezens, hetzij volledig amoreel, hetzij hoog verheven boven alles wat menselijk is. Slechts zelden lukte het hem ze genuanceerd te tonen en nooit gunde hij ze compassie. Maar Trois couleurs: blanc draait om een man, en om Polen; om een sjacheraar en om een lief maar verpauperd land. En voor die twee heeft Kieslowski alle geduld en alle gevoel van de wereld. Hij neemt de tijd voor het genot van de aanschaf van een nieuwe, hele dure das en gunt de man en zijn beste vriend een weergaloze, vlekkeloos afgewerkte sfeerwisseling tussen kameraden: het ene moment is het tweetal loodzwaar op de hand en overdenken ze de nutteloosheid van hun lijdende levens, direct daarna glijden ze uitgelaten samen over het ijs.

De man is een kleine man, leep en aardig en verscheurend verliefd. In zijn begeerte naar wat hij houdt voor de vrouw van zijn leven zet hij de hele wereld naar zijn hand. Tegen alle verwachtingen in verovert hij haar en zelfs zo dat niemand meer aan haar kan komen, maar hij verrekende zich: ze belandt in een kooi, echter met hemzelf aan de verkeerde kant van de tralies.

In zijn wederwaardigheden zit voor wie dat wil zien de recente geschiedenis van Polen verstopt. Niet voor niets zal Kieslowski ervoor hebben gekozen om het verhaal van dat kleine meeslepende leven te onderwerpen aan de wetten van de slapstick. De man heet Karol, wat Pools is voor Charlie en waarmee - al te verwaten - wordt verwezen naar Chaplin, en hij overleeft verschillende malen zulke extreme ondernemingen dat je zou kunnen veronderstellen dat hij wel eens dood zou kunnen zijn en alleen als schim nog rondhangt in de herinnering en fantasie van hen die hem na stonden.

In de slapstick sterft er nooit iemand. Wordt er uit een in razende vaart rondtuffende auto gevallen, dan rolt men een paar maal over de kop om rustig op te staan, het stof van een mouw af te kloppen en verder te hollen - achter het geluk aan. Dreigt een Brute Crimineel de held te verpletteren, dan is er wat verstikt gespartel van dolle benen, maar met een eenvoudige schop onder een dik achterwerk komt alles weer terecht en wordt er weer verder gedraafd - op jacht naar een stralende horizon. Het zou jammer zijn hier te onthullen hoe, maar met Trois couleurs: blanc slaagt Kieslowski er glansrijk in de oude tragische lach-wetten te laten gelden voor zijn Karol, net of ze tot de algemeen aanvaarde logica behoren. En passant schetst hij knap een paradoxaal opgewekt beeld van de vitaliteit van een ontsporend Polen. Wat zullen we dan zeuren dat zijn film niets wezenlijks zegt over de Gelijkheid en de kleur wit wat merkwaardig veel nadruk krijgt?

    • Joyce Roodnat