Geruzie in EU raakt direct invloed van kleine lidstaten

BRUSSEL, 9 MAART. Het geruzie van de Britten en de Spanjaarden - met steun van Italië - over de machtsverhouding in de raad van ministers van de Europese Unie is niet alleen een technisch steekspel over aantallen stemmen, maar raakt ook direct de invloed van de kleinere lidstaten in het Europese besluitvormingsproces. Daarom reageren landen als Nederland en België extra gevoelig op pogingen om de bestaande status quo in Europa te doorbreken.

De discussie gaat over de vraag hoeveel stemmen nodig zijn om in de bijeenkomsten van de ministers uit de EU-lidstaten een blokkerende minderheid te vormen. In slechts een beperkt aantal gevallen worden in Brussel besluiten genomen op basis van gewone meerderheid. Als regel wordt gestemd met gekwalificeerde meerderheid. Zonder dat uitgangspunt was bijvoorbeeld de interne markt er nooit op tijd gekomen. Maar op gevoelige terreinen - zoals het gemeenschappelijke buitenlandse beleid en de justitiële samenwerking - geldt de unanimiteitsregel. Elke individuele lidstaat behoudt daar het laatste woord, zoals bijvoorbeeld wordt geïllustreerd door het zwakke optreden van de EU in Bosnië.

In het Europa van de Twaalf zijn 23 stemmen voldoende om een blokkerende minderheid te vormen. Dat is 30 procent van het totaal van 76 stemmen. Duitsland, Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië hebben er ieder 10. Spanje telt voor 8; België, Griekenland, Nederland en Portugal ieder voor 5; Denemarken en Ierland voor 3, en Luxemburg voor 2. Bij de beoogde uitbreiding van de EU is gekozen voor een 'mechanische extrapolatie': Oostenrijk en Zweden krijgen ieder 4 stemmen en Noorwegen en Finland ieder 3. Dat houdt in dat de drempel voor de blokkerende minderheid komt te liggen op 27 stemmen, 30 procent van het nieuwe totaalaantal van 90 stemmen.

De huidige verdeelsleutel werkt naar verhouding van het inwonertal voordelig uit voor de kleinere lidstaten. Duitsland (met 10 stemmen) telt ruim 80 miljoen inwoners. Een Duitse stem vertegenwoordigt daarmee ruim 8 miljoen inwoners van de EU in de Europese ministerraad in Brussel. Een Franse en een Britse stem vertegenwoordigen elk ruim 5,7 miljoen inwoners. Voor een Nederlandse stem zijn slechts 3 miljoen inwoners nodig en voor een Belgische stem 2 miljoen inwoners. De Luxemburgers tellen met één stem per 200.000 inwoners het zwaarst. Spanje heeft met 39 miljoen inwoners 8 stemmen, de vier kandidaat-toetreders met in totaal ruim 26 miljoen inwoners krijgen samen 14 stemmen.

Om die 'wanverhouding' recht te trekken, zouden de stemmen van de grotere lidstaten in de ministerraad zwaarder moeten gaan wegen, of zouden de grote lidstaten gewoon meer stemmen moeten krijgen. De eis van Spanje en Groot-Brittannië om de blokkerende minderheid ook na de uitbreiding met Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk op 23 stemmen te houden, is evenzeer ingegeven door de wens om relatief aan macht te winnen. Het is gemakkelijker een blokkerende coalitie te vormen van 23 stemmen dan van 27 stemmen om zodoende onwelgevallige besluitvorming in Brussel tegen te houden.

Nederland en de meeste andere lidstaten doen er echter alles aan om deze institutionele geest voorlopig nog even in de fles te houden. Ruim twee jaar geleden is al afgesproken dat lidstaten van de EU het Verdrag van Maastricht in 1996 zullen evalueren. Dan zullen nieuwe afspraken worden gemaakt over de bestuurlijke structuur van de EU. Dan moeten de (16?) lidstaten het niet alleen eens zien te worden over de stemmenverdeling tussen 'groot' en 'klein' in de ministerraad, maar bijvoorbeeld ook over de vraag of elke lidstaat nog wel een vertegenwoordiger in de Europese Commissie zal behouden en over de vraag welke nieuwe bevoegdheden het Europese Parlement krijgt. Kortom: hoe wordt Europa democratischer en efficiënter? Daarover zal worden beslist in een 'intergouvernementele conferentie'. Dat betekent: op basis van eenparigheid.