Een blik in de darmen van de politiek

Zouden we verbaasd zijn als Bert de Vries een geheime vriendin had die hem op kosten van de staat erotische massages gaf? Zouden onze schoenen uitvallen als Frits Bolkestein op kleine Marokkaanse jongens bleek te vallen? Zouden we echt geschokt zijn als Wim Kok met zijn hand in de kas werd betrapt? Nu is Wim Kok een slecht voorbeeld. Geen boosaardige twinkeling in zijn ogen prikkelt de verbeelding. Noch naar het land van melk en honing noch naar de kelders van het kwaad geleidt ons zijn stem. De fantasie slaat volkomen dood op zijn doorgroefd gelaat en zijn grijze kostuum. (Hoewel: remember Elske!). God, een beetje verrast zouden we wel zijn, maar de berichten zouden in het schema van wangedrag door politici passen dat ons uit het buitenland wordt aangereikt, en waarom zou Nederland de uitzondering op de regel vormen? Geheel in tegenstelling tot wat wij willen en hopen en verwachten blijken politici net zo slecht te zijn als wijzelf en soms juist een graadje erger, de perfecte vertegenwoordigers van een vervuilde samenleving die natuurlijk geheel buiten onze schuld zo is verworden.

Vroeger, zeggen wij mijmerend, kozen wij onze parlementariërs omdat ze boven ons uitstaken. Nog niet zo lang geleden liepen wij bezield van de meest hooggestemde idealen te hoop tegen de gezapigheid van het gezag, brandend van verlangen de fakkel over te nemen. Vroeger aanvaardden de besten onder ons bescheiden de eer en de last van hun uitverkiezing. Hier, zoals elders, bestond een traditie in betere kringen (zo rijk dat de politiek hun geen persoonlijk gewin kon brengen) als tegenprestatie voor hun bevoorrechte geboorte de civiele zaak te dienen. Maar nu? Volksvertegenwoordigers zijn baantjesjagers en egostrategen, vinden we. De besten onder ons verbergen zich in ideële stichtingen, in vrije beroepen of in de natuur. Een nieuwe generatie keizers wendt zich af in plaats van in opstand te komen.

Een cynische houding ten opzichte van dat vadsige openbare lichaam in Den Haag met dat uitdijende waterhoofd van de ambtenarij keert zich op den duur tegen ons. Dat weten wij heus wel. We zijn gek dat we belangrijke beslissingen overlaten aan mensen die gevangen zijn in een net van loyaliteiten dat hun handen bindt. De Tweede Kamer is een strafkolonie. Maar wanneer wij massaal Den Haag laten stikken, vormt zich een staat in een staat, zoals een planeet ontstaat uit een om zijn as tollende gaswolk, die aan zijn eigen wetten van samenhang gehoorzaamt. Wie goed kijkt ziet een dergelijk astrofysisch proces zich afspelen rondom het ministerie van onderwijs in Zoetermeer.

Over de kloof tussen burger en politiek lijkt een consensus te bestaan: hij is er en dat is niet goed. Alle bruggen beginnen met de imperatief 'moeten' en eindigen met het hoopvolle futurum 'zullen'. Maar in die baaierd van patenten en garanties is de overtuiging en de overtuigingskracht zoekgeraakt. De samenleving functioneert eerder in weerwil van dan dankzij de maatregelen van de politiek.

Wie zijn 'wij' tegenover 'zij' trouwens? Waarom verberg ik mij in een ongedefinieerd 'wij'? Sinds wanneer neem ik politici niet meer serieus? Een van de grote veranderingen ten opzichte van vroeger is dat we door de nieuwsgierigheid van de media een blik werpen in de darmen van de politieke besluitvorming en dat ziet er niet fris uit. De veronderstelling dat alles vroeger beter was, is over het algemeen echter onjuist. Niet de politiek en de politici zijn veranderd. Wij evenmin, of: wij allen evenzeer. Zij zijn ons en wij zijn hen. Niet beter, niet slechter. Als politici falen, moeten wij onze ogen uit onze koppen schamen, sterker nog: moet ik mij schamen. Maar ik kijk wel uit. Ik doe de politici in een reservaat en was mijn handen in onschuld.

Meer dan een breuk in het geheel is de kloof het resultaat van een innerlijk conflict in haar samenstellende delen. Ieder mens apart koestert een ideaal (“een leven van voorspoed en vrede voor allen in een zorgzame maar niet bemoeizuchtige gemeenschap”) maar heeft het noodzakelijke geloof in de weg die ertoe moet leiden, verloren. En behalve de worst is ook honger nodig om de hond te doen lopen. We zijn tot in het merg geseculariseerd. Om de verwarring veroorzaakt door de innerlijke tweespalt het hoofd te bieden, verplaatsen we het probleem naar de politiek. Onzekerheid van binnen zoekt een zondebok buiten.

De perfecte democratie was ons ideaal, onze weg, onze waarheid en ons leven. Na twee eeuwen streven verdwijnt ze dagelijks verder in de mist, of komt ze dagelijks naderbij maar bevalt ons haar uiterlijk niet. Alle instellingen, die wij nu schoorvoetend en met frisse tegenzin gaan kiezen, zijn gegrondvest in de vrome wens, dat wij met elkaar zullen weten wat goed voor ons is. De meerderheid heeft per definitie gelijk, en als zij dat niet heeft, heeft ze in ieder geval de macht. Dat principe wortelde in het optimistische geloof in de goedheid van de mens. Maar: wanneer iemand wil dat iets gebeurt, waarom gebeurt het dan? Om ons heen zien we te veel dat niemand wil. En stel dat de CD meerderheid krijgt? Zolang het begrip 'goedheid' niet is gedefinieerd, is een democratie een dubieus genoegen. Voorziet de grondwet in een afdoende definitie of de verklaring van de rechten van de mens, wanneer slechts een meerderheid nodig is die ongeldig te verklaren? Dat zijn bekende paradoxen, die ons meestal niet in de weg zaten.

Door ervaring wijs geworden beschouwen we inmiddels de mens als slecht en geneigd tot alle kwaad, met uitzondering misschien van onszelf. We hebben onze buik vol van collectieve utopieën, want we worden dagelijks geconfronteerd met de excessen en de gevolgen ervan. De teloorgang van onze idealen heeft ons in een cynisch spleen gestort. De vermoeidheid die ons overvalt wanneer we vrezen ons gedachtengoed te moeten verdedigen tegen inmenging door andere waardensystemen, noemen we ook wel uit gemakzucht 'begrip'.

Als we teruggaan naar de achttiende eeuw, waarin de grondgedachten van de moderne democratie zijn geformuleerd als een bezwering welhaast, dan bemerken we bij de verlichte filosofen ook een grote mate van scepsis ten opzichte van hun eigen ideeën en een diep inzicht in de dilemma's. Maar ze twijfelden niet aan de noodzaak door middel van de rede steeds weer opnieuw de twijfel te overwinnen. Ze wilden geloven in de vooruitgang, in de vervolmaking van de mens en de maatschappij door opvoeding, maar ze stelden die vooruitgang niet klakkeloos gelijk aan geluk. Beschaving vertegenwoordigt in zichzelf een waarde, ook al stelt zij grenzen aan het individuele plezier.

“Een van de grootste rampen die een vrije natie kan overkomen”, schreef Diderot aan Catharina de Grote, “zou de opeenvolging zijn van het bewind van twee of drie rechtvaardige en verlichte despoten.” Die zouden het volk aan blinde gehoorzaamheid wennen, “tijdens hun regering zou het volk zijn onvervreemdbare rechten vergeten, het zou in een fataal vertrouwen en apathie vervallen; het zal niet langer die voortdurende achterdocht ervaren, die de noodzakelijke bewaker van de vrijheid is.” Toch lijkt dat niet zo veel erger of zo veel anders dan de opeenvolging van een groot aantal gelukkige democratische jaren, die het volk hebben doen verzinken in een fatale onverschilligheid en apathie, terwijl de zo noodzakelijke achterdocht, de bewaker van de vrijheid, is gesmoord in eigen vet. Het geloof in de vooruitgang, de permanente educatie en de beschaving als zelfstandige waarde legde het af tegen de jacht op individueel geluk, de uiterste consequentie van het geloof in het recht van de mens zelf te bepalen wat goed voor hem is. Een begrijpelijk gevolg van de onoverzichtelijkheid van de maatschappij, waarin in plaats van correlatie: de zelfstandige burger vormt de samenleving, spanning is ontstaan: de burger voelt zich slachtoffer van onbeheersbare en gezichtloze instanties.

De politieke partijen zijn nog steeds gebaseerd op de restanten van de oude beloften, de glazige utopieën, de maakbare en zorgzame samenleving. Ze koesteren geen achterdocht tegen hun eigen volmaaktheid. Het politieke program is als een brug zonder oevers. Wat te toen? Ik moet mijzelf dwingen de twijfel aan de politiek en dus aan mijzelf te overwinnen met behulp van de rede. Geloof is niet nodig, een utopie evenmin. Als er dan geen schitterende dageraad gloort aan het andere eind van mijn inspanning, is beschaving mij goed genoeg.

    • Nelleke Noordervliet