Economisch herstel van Amerika heeft structureel karakter

De Verenigde Staten kwamen al twee jaar geleden uit de recessie. Maar de beeldvorming liep lang achter. Want het herstel is het gevolg van saneringen waarbij opvoering van de produktiviteit centraal stond. 'Het gevoel dat er iets moet gebeuren, dringt in Amerika sneller door'.

Amerika doet het weer. De economie groeit, de werkloosheid daalt, de inflatie blijft beperkt en over die plaag uit de jaren tachtig, het overheidstekort, maakt niemand zich meer zorgen. Vergeleken met Europa en Japan staan de Verenigde Staten op een vooruitgeschoven post in de economische cyclus: Japan tobt al drie jaar met een chronische recessie die maar niet wil voorbijgaan en continentaal Europa staat aan het begin van moeizame sociaal-economische hervormingen.

Geholpen door een zwakke dollar en steunend op zijn formidabele aanpassingsvermogen heeft de Amerikaanse economie zich hersteld van de milde recessie van 1990/91. In het laatste kwartaal van 1993 boekte de VS een groei van 7,5 procent op jaarbasis. De werkloosheid is in februari gedaald tot 6,5 procent van de beroepsbevolking en de belofte van president Clinton, acht miljoen nieuwe arbeidsplaatsen in vier jaar, lijkt gemakkelijk te verwezenlijken.

De economie draait inmiddels zò voorspoedig dat voor de Federal reserve board, het stelsel van Amerikaanse centrale banken, het moment voor renteverhogingen is aangebroken. Alan Greenspan, de voorzitter van de Fed, heeft vorige maand het signaal gegeven dat ter voorkoming van toekomstige inflatie, de korte rente omhoog moet. Het was een kleine stap, maar het was een keerpunt na vijf jaar rentedaling en de financiële markten reageerden alsof ze door een hond waren gebeten. De obligatiekoersen kelderden en de aandelenkoersen lieten hun recordniveaus los. Wall street ontnuchterde, na de bull market van 1992/93, maar er was eerder sprake van een correctie dan van een crash. Deskundigen verwachten dat de Amerikaanse rente pas over enkele jaren fors zal stijgen, voordat zich tegen de eeuwwisseling de volgende recessie aandient.

In 1988 publiceerde de historicus Paul Kennedy een studie naar de opkomst en de neergang van grote staten. Het boek had een boodschap die paste in de tijdgeest en de Amerikanen voelden zich aangesproken. Amerika was bezig de concurrentieslag met Japan te verliezen, Europa was bezig met eenwording, Amerika worstelde met financiële schandalen. Amerika was in verval. Nog geen zes jaar later praat geen mens meer over de 'Kennedy-stelling'. De Verenigde Staten hebben de Golfoorlog gewonnen, de machtsstrijd met de Sovjet-Unie in hun voordeel beslist, in Europa is het Europessimisme terug en Japan heeft afgehaakt in de economische en technologische concurrentieslag. “De stelling van Kennedy was op zichzelf juist, zegt dr. J.J. van Duijn, lid van het beleidscomité van de Robeco Groep, maar zij riep haar eigen tegenkrachten op. Het mobiliserend vermogen van de Verenigde Staten is enorm..”

Nu viel er veel in te halen. In acht jaar Reagan had de Amerikaanse economie een overgewaardeerde dollar, de casino-taferelen van de overnemingen met geleend geld, het fiasco met de spaarbanken en een beurskrach beleefd. Onder Bush was de natie van een boom in een recessie beland. Bill Clinton voerde in 1991 campagne op het thema “It's the economy, stupid!” en dat sloeg aan. De Amerikanen hadden genoeg van de Republikeinen, ook al was de economie officieel al in maart 1991 uit de recessie gekropen. Het gevoel van malaise was daarmee niet weg omdat vooral de consumenten nog onder enorme schulden gebukt gingen. Rekening houdend met het herstel van consumentenvertrouwen en van de industriële produktie komt Van Duijn tot de vaststelling dat de Amerikaanse recessie in januari 1992 echt voorbij was. Maar de beeldvorming liep achter: terwijl de economie groeide, spraken de Amerikanen nog over de mogelijkheid van een 'double dip'-recessie. Pas nadat president Bush verslagen was, bleek uit de cijfers dat het herstel inmiddels stevig had doorgezet.

Dit herstel was afwijkend van het gebruikelijke patroon. Niet de consumentenbe stedingen of investeringen in machines en bedrijfsgebouwen trokken de economie uit het dal, maar stroomlijning van de produktie en investeringen in technologie. “Dit is een produktiviteit-gedreven herstel”, zegt Van Duijn. Het Amerikaanse bedrijfsleven herstelde zijn winstgevendheid en groei door saneringen. Zelfs in 1993, in het derde jaar van een aantrekkende economie, werden bij reorganisaties nog 600.000 werknemers ontslagen. Die ontslagen golden niet alleen fabrieksbanen: in november 1993 was de werkloosheid onder 'witte boorden' hoger dan onder de traditionele 'blauwe boorden'.

Doordat de banengroei achter bleef bij de economische groei en doordat de inkomens nauwelijks stegen, maakt de economie niet zo'n dynamische indruk als in de beginjaren tachtig, toen president Reagan pochte: 'You ain't seen nothin' yet!''. Maar in de huidige fase wordt de economie structureel versterkt - voor het eerst sinds jaren neemt de Amerikaanse produktiviteit sterker toe dan die in West-Europa of Japan.

De goedkope dollar heeft het herstel vergemakkelijkt. Amerika is goedkoper geworden - zeker vergeleken met de absurde overwaardering van de dollar begin jaren tachtig - en dat heeft de export ondersteund. De afgelopen zeven jaar was de Amerikaanse exportgroei vier keer zo groot als die van Japan en drie keer zo groot als die van Duitsland. En hoewel de dollar sinds vorig jaar geleidelijk in koers is gestegen, is volgens berekeningen van de koopkrachtpariteit (een vergelijking van de prijs van dezelfde goederen in verschillende munten) de dollar nog steeds ondergewaardeerd.

Dat de Verenigde Staten nog steeds een tekort op hun handelsbalans hebben, is niet het gevolg van verloren concurrentiekracht, zoals in de jaren tachtig, maar van de aantrekkende economie terwijl in andere landen de vraag stagneert. Overigens hebben de VS een overschot op de dienstenbalans dat het handelstekort nagenoeg compenseert.

De Amerikaanse concurrentiekracht is verder verbeterd door de matiging van de loonkosten. De stijging van de arbeidskosten per eenheid produkt zijn tussen 1985 en 1992 in de VS stevig achtergebleven bij die in Japan en Duitsland. Per jaar blijven de Amerikaanse arbeidskosten anderhalf procentpunt achter bij Duitsland. Uit een vergelijking blijkt dat de Amerikaanse arbeidskosten in 1992 zelfs twintig procent lager zijn dan het gemiddelde van twaalf andere industrielanden (inclusief enkele Aziatische tijgers). “Ironisch genoeg is Amerika sinds het begin van de jaren zestig niet meer zo concurrerend geweest als nu het geval is”, schrijft Stephen Roach van het effectenhuis Morgan Stanley.*

Deze omslag heeft twee oorzaken. In de eerste plaats reageert de Amerikaanse arbeidsmarkt direct op veranderingen. Uitkeringen zijn beperkt en de lonen passen zich aan. Terwijl in West-Europa de sociale zekerheid aanpassingen op de arbeidsmarkt vertraagt, leidt het gebrek aan sociale zekerheid in de Verenigde Staten tot snelle aanpassingen op de arbeidsmarkt. In de tweede plaats zijn ondernemingen, ondanks de flexibiliteit van de loonkosten, doorgegaan met afslankingen. Tegelijkertijd hebben ze hun produktiviteit verhoogd door te investeren in informatie-technologie: computers, elektronische netwerken en telecommunicatie. De afgelopen drie jaar heeft vrijwel geen investeringsgroei in machines te zien gegeven.

“Je kunt spreken van herstel door saneringen”, aldus Van Duijn. De consumentenuitgaven blijven achter door de afwikkeling van de schulden uit de jaren tachtig, de loonmatiging (en in sommige gevallen daling) en de onzekerheid over behoud van een baan. De banken waren bovendien terughoudend met de verstrekking van nieuwe kredieten aan consumenten en bedrijven zolang die hun schulden saneerden. Het Amerikaanse bankwezen herstelde zijn balans door slechte leningen af te boeken en ondertussen geld uit te lenen aan de betrouwbaarste debiteur van allemaal: de Amerikaanse federale overheid. Vorig jaar belegden banken meer dan de helft van hun portefeuille in staatsleningen.

Vergeleken met West-Europa hebben de VS nog een ander voordeel. De geografische en economische achtertuin van Amerika is Latijns-Amerika en het gebied rond de Pacific. De Oostaziatische landen vormen een motor van groei en Latijns-Amerika heeft zich ontworsteld aan de stagnatie van de jaren tachtig. Daarmee hebben de Amerikanen het heel wat beter getroffen dan West-Europa, dat is opgescheept met twee reuschachtige probleemgebieden: Oost-Europa en noordelijk Afrika. De Amerikaanse financiële betrokkenheid bij deze regio's is minimaal.

Amerika staat er goed voor, concludeert Van Duijn. Het bedrijfsleven is gesaneerd en heeft nieuwe concurrentiekracht. De Amerikaanse economie wordt niet van de gevolgen van een recessie afgeschermd door een omvangrijk stelsel van sociale zekerheid, zoals in Wet-Europa het geval is, en heeft evenmin te maken met de verstikkende greep van bureaucraten die in Japan de markt trachten te sturen. “Het gevoel dat er iets moet gebeuren dringt in Amerika veel sneller door en dat versnelt structurele aanpassingen ”, zegt Van Duijn.

Helemaal zonder gevaar is de produktiviteit-gestuurde groei niet zolang de kapitaalsinvesteringen en de investeringen in personeel niet aantrekken. “Als slank en sterk uitsluitend betekent méér produceren met minder middelen, dan dreigt op den duur de uitholling van Amerika”, schrijft Stephen Roach van Morgan Stanley. Het Amerikaanse beleid zal dringend gericht moeten worden op investeringen in de fysieke infrastructuur en menselijk kapitaal. Want, schrijft hij, “voortgaan met meedogenloos snijden in de kosten zou er toe kunnen leiden dat de Amerikaanse economie straks niet over de middelen beschikt die nodig zijn om een antwoord te geven op de volgende, onvermijdelijke wederopstanding van de wereldeconomie. Als de Verenigde Staten onvoldoende investeren in mensen en gebouwen, zou het zijn marktaandeel weer kunnen verliezen. Een uitgehold Amerika zou dan de vruchten van het produktiviteit-gestuurde herstel niet kunnen plukken.” * Stephen Roach: The perils of America's productivity-led recovery, Morgan Stanley Economic Research, January 1994