De poliep van het schandaal

NEW YORK. Het schandaal dat onder de verzamelnaam Whitewater de Amerikaanse politiek bezighoudt, nadert de grens waarop het te groot is om nog te worden getemd. Het is als met de legendarische laboratoriumrat die teveel groeihormomen heeft gekregen en nu aanstalten maakt om tot een monster van Spielberg-afmetingen uit te groeien. Het wordt, zoals dat met een schandaal gaat, gretig gevoed door de velen die belang hebben bij de vernietiging van de vermoedelijke slachtoffers. Het is een omnivoor van geruchten, onthullingen, gnuiven, haat, leedvermaak, paniek, goede bedoelingen en het periodieke volksgericht van de enquêtes. Als het niet bijtijds wordt gedood groeit het iedereen boven het hoofd zoals gebeurd is met Watergate dat niet alleen Nixon zijn politieke leven heeft gekost. Van een afstand gezien wordt het schandaal tot een schouwspel waarin heksensabbat, zuivering en zelfvernietiging niet meer van elkaar te scheiden zijn. In dit stadium staat 'Whitewater' al voor een ongetelde hoeveelheid verdachtmakingen, vergissingen, tegengestelde belangen, duistere zaken, verdonkeremaningen, een geheel dat opzichzelf om opheldering vraagt. Daardoor valt er één conclusie te trekken: dit kan weleens lang gaan duren.

Behalve een schouwspel, een drama van formaat, is het Amerikaanse schandaal ook een obstakel waardoor de buitenlandse politiek vrijwel wordt stilgelegd. Toen Joseph McCarthy verklaarde dat hij een lijst had met 254 leden van de communistische partij die het State Department waren binnengedrongen, gaf hij Eisenhower en Dulles meer dan een jaar handenvol werk. Watergate betekende voor de Amerikanen een tijdelijk einde van de rest van de wereld, en mutatis mutandis gold hetzelfde voor de rest van de wereld. Reagan bleek meer verstand van schandaalbeheersing te hebben: terwijl de bewijzen voor zijn betrokkenheid bij, althans zijn medeweten van het Iran-Contra schandaal zich ophoopten, slaagden zijn vijanden er niet in, zijn presidentschap schade te berokkenen. Onverstoorbaar bleef hij het rijk van het kwaad bestrijden en wikkelde vervolgens de Koude Oorlog af. Dat was geniaal. Toen Bush aantrad was het front van de Republikeinen weer gesloten, werkte de verwarring over het sluimerend schandaal in het nadeel van zijn tegenstanders, en was de urgentie verdwenen.

Volstrekt anders is het in de Whitewater-zaak. Op dit ogenblik wijst alles erop dat het zenit nog moet worden bereikt. De haat die Clinton de afgelopen twee jaar heeft gewekt valt moeilijk te schatten. Met succes heeft hij nog in zijn verkiezingscampagne zijn affaire met Jennifer Flowers naar de achtergrond gedrongen. Hij heeft het nadeel van zijn Vietnam-verleden - hij is daar niet geweest - weten te overkomen. Pogingen tot het onthullen van andere affaires zijn vastgelopen. Zijn plan tot hervorming van de gezondheidsdienst wekt fanatiek verzet. Dat onder het Democratisch presidentschap de economie zich goed herstelt, brengt de Republikeinen niet in een goed humeur. Alles draagt er op dit ogenblik toe bij om Whitewater tot de aanleiding voor de revanche te maken.

We weten dat na het einde van de Koude Oorlog de belangstelling van de Amerikanen voor West Europa danig is verflauwd. De eerste oorzaak daarvoor is de concentratie op de grote binnenlandse vraagstukken, de tweede de Europese onbekwaamheid bij het oplossen van het conflict in Bosnië. Binnen de gekrompen actieradius van Washingtons belangstelling tekenen zich andere prioriteiten af. Vorig jaar omstreeks deze tijd ontplofte de bom onder het World Trade Center. De daders zijn nu tot levenslang veroordeeld. Het vooronderzoek en het proces hebben het vermoeden laten bestaan dat ze deel uitmaken van een grotere samenzwering. Dat vermoeden is sterker geworden na de aanslag, vorige week, op vier orthodox-joodse studenten van wie er inmiddels één is gestorven. Op de achtergrond groeit de angst dat het conflict tussen Israel en de Arabieren tot New York wordt uitgebreid.

De ontmaskering van een CIA-agent als spion voor de Russen betekent geen versterking van het vertrouwen in deze fameuze geheime dienst. Er kan veel gemoord worden in de Verenigde Staten - er wordt steeds meer aan de bestrijding gedaan - maar politieke misdaden en politiek terrorisme wekken traditioneel een extra-weerstand, zoals het lot van de Rosenbergs en Sacco en Vanzetti leert, want dan moet men zich tegen vreemden met staatsgevaarlijke bedoelingen mobiliseren.

De nieuwste aanwijzing dat Washington zich slechts minimaal met problemen in Europa, West, Midden of Oost wil inlaten, is te vinden in het bezoek van Sjevardnadze, eens vertrouwd gesprekspartner van Reagan en nu president van een ver, klein land in een burgeroorlog. Zelden zal een bezoekende president zo snel in de put der vergetelheid zijn geduwd - weliswaar met de belofte van zeventig miljoen dollar aan allerhande hulp maar zonder enig uitzicht op Amerikaanse deelneming aan een vredeskorps van de VN.

Onder deze omstandigheden komt het Whitewater-schandaal tot ontwikkeling. Loopt het voor de Clintons goed af, dan zullen ze er in ieder geval nog een flinke tijd de handen vol aan hebben. Dit betekent dat West Europa nog minder dan de afgelopen twee tot drie jaar op een Amerikaanse aanwezigheid zal kunnen rekenen. Veertien dagen geleden hebben Amerikaanse jagers onder auspiciën van de NAVO vier Servische vliegtuigen neergeschoten. Met dat voorbeeld moeten de Europeanen tevreden zijn. Zolang Whitewater duurt moet Europa het alleen opknappen.

Zo verrassend is de politiek. De enige die straks baat vindt bij een investeringsproject in Arkansas, zestien jaar geleden, en de ondoorzichtigheden die daarop zijn gevolgd, is het etnische opperhoofd Karadzc die investeert in moord en verwoesting.

    • H.J.A. Hofland