Brilstandje

Mijn moeder poetste altijd de bril van mijn vader. Zodra ze ook maar het geringste vuiltje, spatje of veegje op zijn brilleglazen bespeurde, neeg ze haar hoofd en keek mijn vader scherp aan. Hij nam direct de bril van zijn neus en overhandigde hem haar.

Vervolgens trok mijn moeder een stukje van haar satijnen roze onderjurk onder haar rokzoom vandaan en begon het gepassioneerd poetsen met het tot een dotje gevormde zachte, warme flard van haar dessous.

Zelf ervoer ik deze handeling als zeer onderdanig. Toen ik nog niet beter wist en de vrouwenbeweging ons allen aanzette tot actie en afwerping van het juk, nam ik me voor om, mocht ik ooit een bril nodig hebben, een feministische contactlenzendraagster te worden. Ik wilde definitief afrekenen met de BRIL.

Welaan, ik had me deerlijk in de waard/waardin vergist. Later begreep ik hoe dat spelletje van kijken en poetsen in elkaar zat. Nadat vroegwijze buurkinderen mij verzekerd hadden dat grote mensen het doen, maar dat ze het nooit zeggen en dat er ingewikkelde rituelen voor nodig zijn voordat ze zich eraan kunnen overgeven, en dat vooral een beslagen bril iets betekent, (terwijl ze lang hadden gedacht dat juist een bril verliefdheid danig in de weg stond), namelijk dat de brildrager WIL, keek ik met haviksogen.

En jawel, op een dag komt mijn vader thuis met een beslagen bril. Hij werpt een dartele blik op mijn moeder. Maar in plaats dat ze die roze onderjurk tevoorschijn haalt, zegt ze: “Jan, komt er nog wat van?” Dit was tevens het eerste erotische gedicht dat ik hoorde. Logisch dat mij dat sterk beïnvloed heeft, later bij het schrijven.

Soms valt men mij erover aan. “Tja, waarom toch telkens weer die zinnelijkheid?” Ik hef mijn geopende handen, toon mijn roze handpalmen, mijn onschuld.

    • Carla Bogaards