ALBANIE; Moeizame democratisering

Het zaterdag in Tirana begonnen proces tegen Fatos Nano, ex-premier van Albanië en leider van de belangrijkste oppositiepartij, dreigt de relatieve politieke rust in het land te verstoren. Het proces wordt door de oppositie bestempeld als een “showproces” en als een nieuw bewijs dat de machthebbers in Albanië een loopje nemen met de met de mond beleden democratische beginselen. Vriend en vijand zijn het in elk geval met elkaar eens dat de zaak tegen Nano “het proces van het jaar” is.

Fatos Nano, premier van de regering die in 1991 de overgang naar de democratie regelde, leidt de ex-communistische Socialistische Partij. Hij werd op 30 juli vorig jaar gearresteerd op beschuldiging van verduistering en fraude met Italiaanse hulpgoederen. Voedsel en farmaceutische artikelen uit Italië zouden door Nano in samenwerking met de directeur van een Italiaans bedrijf in Albanië duurder dan nodig zijn verkocht. Daarnaast zou Nano hebben gesjoemeld met transportkosten en prodecureregels hebben overtreden. Op die misdrijven, waarmee een bedrag van 730.000 dollar zou zijn gemoeid, staat een maximale gevangenisstraf van tien jaar.

Volgens de oppositie is het proces politiek gemotiveerd. Nano zelf heeft geweigerd aan het proces mee te werken. In een verklaring, in oktober gepubliceerd in het partijblad Zëri i Popullit, beklaagde hij zich over gemaakte procedurefouten, zoals de overschrijding van limiet waarbinnen het vooronderzoek moest worden afgesloten en die waarbinnen de beschuldiging moest zijn geformuleerd - fouten die inmiddels ook door het Europees Parlement zijn gesignaleerd.

Het proces tegen Nano trekt een spoor van polarisatie door het land. De socialisten hebben rond hun leider tijdens zijn zeven maanden durende voorarrest een ware cultus opgebouwd. Er zijn talloze demonstraties voor Nano's vrijlating gehouden. Partijleden dragen zijn portret op zak en kladden leuzen voor zijn vrijlating op de muren. Zëri i Popullit verschijnt geen dag zonder een artikel over de gevangen voorzitter. Waar de socialisten de regerende democraten afschilderen als socialistenslachters, bestempelen die de socialisten als extremisten die liever vandaag dan morgen het stalinisme in Albanië in ere willen herstellen.

Die polarisatie is sinds de breuk met het communisme in 1991 nooit weg geweest. Maar vooral onder invloed van het proces tegen Nano is ze zodanig toegenomen dat sprake is van een tweedeling in vijandelijke kampen. Albanië heeft een reeks processen afgewerkt of in gang gezet tegen leiders van de vroegere communistische Partij van de Arbeid; geen van die processen heeft echter zoveel emoties losgemaakt als dat tegen de post-communist Nano. Aan de vooravond van het proces verbood de regering, bezorgd over demonstraties, “illegale bijeenkomsten van links-extremistische groepen” - waarmee de socialistische partij werd bedoeld. Het Skanderbegplein in het centrum van Tirana zag vrijdagavond al zwart van de knuppelzwaaiende politiemannen.

Binnen internationale organisaties begint men zich, ook los van het proces tegen Nano, enige zorgen te maken over lacunes in het democratiseringsproces. De in oktober van kracht geworden perswet is zo'n lacune. De wet is volgens president Sali Berisha bedoeld om een eind te maken aan de “te vrije” omgang van de media met de feiten en aan de insinuaties, de laster en de beschuldigingen waarvan de Albanese kranten bol stonden.

De perswet is echter zo vaag geformuleerd dat de deur wijd open is komen te staan voor willekeur jegens de oppositiepers. Zo wordt het onthullen van geheimen strafbaar gesteld, zonder dat wordt geformuleerd wat geheim is. Eind vorige maand werden een legerofficier en een journalist van het blad Joha Kone veroordeeld wegens het verspreiden van een legerorder, waarin militairen opdracht kregen tijdens hun verlof hun wapens in de kazerne te laten. Ze kregen vier en anderhalf jaar cel. Internationale mensenrechtenorganisaties protesteerden tegen de “overdreven” beschuldigingen en straffen, omdat de verspreiding van een dergelijke order nooit een bedreiging van het staatsbelang kan inhouden. De straffen waarin de perswet voorziet zijn bovendien draconisch. Kranten en journalisten kunnen boetes krijgen van omgerekend achtduizend dollar. De gelukkige die in Albanië werk en een gemiddeld maandinkomen heeft moet daar meer dan 21 jaar voor werken.

Sinds oktober is een aantal journalisten van kritische of oppositiebladen als Joha Kone en Zëri i Popullit de gevangenis ingedraaid. Joha Kone heeft uitvoerig bericht over “schokkende” incidenten aan het meer van Shkodër, waar vissers het VN-embargo tegen Joegoslavië schenden door olie, sigaretten, vee en drank naar Montenegro te smokkelen. Journalisten van Joha Kone krijgen regelmatig te maken met de justitie. Kritische journalisten zijn opgepakt, verhoord, gevangen gezet en in sommige gevallen veroordeeld. Drie Amerikanen, die met geld van de Columbia University en de George Soros Foundation jonge Albanese journalisten opleidden, zagen de deur van hun kantoor - met hun eigen computers - verzegeld nadat het eerste nummer van dit blad, Reporteri, was verschenen: dat eerste nummer bevatte een kritisch hoofdartikel over de perswet.