'Vrouwen hebben te stroef contact met mannelijke arts'

AMSTERDAM, 8 MAART. De stroeve communicatie met mannelijke artsen is voor vrouwen het belangrijkste 'knelpunt' in de gezondheidszorg. Dit blijkt uit een onderzoek door Metis Bureau Vrouwenhulpverlening Nederland onder 3.000 vrouwen van honderd afdelingen van 25 landelijke vrouwenorganisaties.

De resultaten van het onderzoek zijn vandaag bekendgemaakt tijdens het congres Vrouwen Kiezen met Zorg, ter gelegenheid van Wereldvrouwendag.

Aanleiding voor het onderzoek is het twee jaar geleden verschenen rapport 'Keuzen in de zorg' van de commissie-Dunning. In dat rapport werd een oproep gedaan om publieksdiscussies te voeren over de gezondheidszorg. Opvallend noemt Metis de klacht van veel vrouwen dat artsen hun problemen te snel psychologiseren (“ze heeft anorexia, dus die pijn in haar rug zal ook wel psychisch-sociale oorzaken hebben”). Twintig jaar geleden hadden vrouwen juist kritiek op de medicalisering van hun klachten.

Een van de inleiders tijdens het congres is prof. E.V. van Hall, hoofd van de afdeling gynaecologie van het Academisch Ziekenhuis Leiden. Hij zei dat het ideaal is als vrouwen door een arts “integraal” benaderd worden, dat wil zeggen psychologisch, lichamelijk èn maatschappelijk. Maar, zo voegt de Leidse arts er aan toe, “dat is meer een houding dan een techniek”. Van Hall vindt dat een arts minder snel een hormonale behandeling moet toepassen bij al dan niet vermeende overgangsklachten. Volgens Van Hall dient de “individuele wens van de vrouw een belangrijke rol te spelen bij de beslissing van de arts om zo'n behandeling in te stellen”. Volgens oudere vrouwen was die houding vroeger ondenkbaar, zo blijkt uit het onderzoek. Nu is er sprake van een verbetering, vinden zij: jonge artsen zijn opener en geven meer informatie.

Volgens T. van Schie van het Vrouwengezondheidscentrum in Den Haag (VGC) gaan vrouwen “liever naar een vrouwelijke arts of, als ze daar niet expliciet naar vragen, dan hebben zij een voorkeur voor een antroposofische of homeopathische arts”. Een haperende communicatie met de dokter kan leiden tot een onjuiste diagnose en dus ook tot een onjuiste behandeling of tot onvrede en het gevoel afgescheept te worden. 'Ik zoek een andere huisarts' is een veelvoorkomend verzoek bij het VGC, maar Van Schie denkt niet dat dat altijd betekent dat de dokter niet deugt.

Nummer twee op de top tien van knelpunten die in het onderzoek door het Metis Bureau werden vastgesteld is de mondigheid van patiënten. Nummer drie is de toenemende druk op de informele zorg, het zorgen voor zieken in de naaste omgeving. De meeste vrouwen doen dat graag, maar ze vinden dat dit niet als vanzelfsprekend mag worden aangenomen. De druk op hen neemt toe door bijvoorbeeld verkorting van ziekenhuisopnamen en bezuinigingen op de thuiszorg en de zorg voor ouderen en gehandicapten.

Een andere conclusie van het onderzoek is dat vrouwen extra aandacht willen voor seksegenoten boven de tachtig. Die hebben het financieel doorgaans niet breed. Deze groep heeft een groot belang bij goede en toegankelijke (thuis)zorg, maar beschikt over weinig mogelijkheden om haar wensen kenbaar te maken. Politici en belangenorganisaties zouden daarom besluiten over de gezondheidszorg steeds moeten toetsen op de gevolgen ervan voor vrouwen boven de tachtig.

Andere knelpunten die uit het onderzoek naar voren kwamen zijn de geringe mogelijkheid om na het bezoek aan een arts een tweede mening (second opinion) te vragen, de geringe betrokkenheid van vrouwen bij beleid en bestuur in de zorgsector en het besluit om homeopathische geneesmiddelen niet meer te vergoeden.