Rekenkamer: besteding geld politie onduidelijk

DEN HAAG, 8 MAART. Het aantal politiemensen op straat is sinds 1986 niet gegroeid. Dat blijkt uit een rapport van de Algemene Rekenkamer over de sterkte van de Nederlandse politie.

Terwijl het budget voor de politie met dertig procent steeg, van 3,3 miljard tot ruim 4,4 miljard gulden, was de groei van het aantal banen 2 procent: 811 banen, vooral administratief personeel. De Rekenkamer concludeert in het onderzoek dat de twee ministeries die verantwoordelijk zijn voor de politie, de departementen van van binnenlandse zaken en van justitie, onvoldoende weten wat er met het geld van de politiebegroting gebeurt.

De Tweede Kamer had vorige zomer om het onderzoek gevraagd, nadat het vermoeden was gerezen dat er een verschil bestond tussen de budgetverhogingen en de ontwikkeling van de feitelijke politiesterkte. De indruk bestond dat de politie meer uitgeeft aan materieel, zoals auto's en computers, dan aan uitbreiding van de aantallen agenten en rechercheurs.

In 1986 werd rekening gehouden met een stijging van de politiesterkte van een kleine 2.000 man. Volgens de Rekenkamer zijn de werkelijke uitgaven aan materieel, personeel en huisvesting van de politie “niet met voldoende zekerheid” vast te stellen. Van de groei van het politiebudget werd de laatste acht jaren ruim zestig procent besteed aan personeelsuitgaven. Het grootste deel daarvan, in totaal ongeveer tweederde, bleek echter nodig om de loonstijgingen te betalen.

De Rekenkamer schrijft in het rapport dat de twee politiedepartementen over “onvoldoende waarborgen” beschikken voor de juistheid van gegevens over de feitelijke sterkte van de politie. De onderzoekers concluderen dat de beide politieministers in de toekomst beter moeten bepalen “over welke informatie zij dienen te beschikken om hun verantwoordelijkheid waar te kunnen maken”.

Bij het onderzoek van de Algemene Rekenkamer, dat in november 1993 begon en vorige maand werd afgerond, bleek dat de oorspronkelijke gegevens over de sterkte van de gemeentepolitie niet meer op het departement van binnenlandse zaken voorhanden waren. Deze gegevens worden elk jaar door de gemeenten aangeleverd; volgens de Rekenkamer heeft het departement noch een onafhankelijke derde onderzocht of de cijfers van de gemeenten klopten. Omdat uit de gegevens van de gemeenten niet duidelijk werd of het geld werd besteed aan het doel waarvoor het werd uitgekeerd, gaf de accountantsdienst van Binnenlandse Zaken tussen 1986 en 1990 steeds oordeelsonthoudingen af over de departementale rekeningen.

Ook van het ministerie van justitie kon de Algemene Rekenkamer onvoldoende gegevens krijgen waarmee een betrouwbare balans kan worden opgemaakt over de politiesterkte. Justitie krijgt de cijfers van het Korps Rijkspolitie; de cijfers die de Rekenkamer van Justitie kreeg over de sterkte bleken voor een deel op schattingen te berusten. Relevante informatie uit de salarisadministratie was niet aanwezig op het departement, aldus de Rekenkamer.

De ministers Van Thijn en Hirsch Ballin schrijven dat in de nieuwe Politiewet meer zorg wordt besteed aan de informatievoorziening. Er zijn volgens hen een aantal maatregelen in de maak waarin de politieregio's “regels en verantwoordelijkheidsbepalingen” krijgen voorgeschreven. Bovendien wordt in de loop van 1994 een geautomatiseerd systeem in gebruik genomen met “relevante beleids- en beheersinformatie” over de politie.