Rechter is niet gebonden aan het oordeel van deskundigen

Wat men dronken doet, zal men nuchter boeten! Dat ondervond de luitenant G. op 29 april 1932 toen het Hoog Militair Gerechtshof hem strafte, omdat hij op 21 november 1931 in Den Haag “opzettelijk den agent van politie, tevens buitengewoon veldwachter dier gemeente, M. Vlaardingerbroek, terwijl deze zich bevond op een binnenplaats, behoorende bij het danslokaal Palermo, waar hij op verzoek van den portier dier inrichting assistentie verleenen zou tegen beklaagde, die lastig was voor de overige bezoekers van meerbedoelde inrichting, heeft mishandeld door hem eenige malen zoodanig in het aangezicht te slaan, dat die ambtenaar pijnlijk werd aangedaan en aan zijn oor verwond werd.”

De Krijgsraad had hem in eerste aanleg niet strafbaar geacht en wel op grond van een rapport van de zenuwartsen C.J.H. Tempelmans Plat en dr. Ed. Hoelen. Op grond van hun deskundigheid, hun onderzoek van het dossier en hun interview met de beklaagde kwamen zij tot de conclusie, dat bij hem noch van een gewone, noch van een pathologische alcoholroes sprake was geweest, doch veeleer van een 'abnormale roes'. Zij kwamen tot de slotsom, dat de beklaagde had gehandeld in een ziekelijke toestand zijner geestvermogens ten gevolge van alcoholvergiftiging, zodat zijn daad hem niet kon worden toegerekend.

Met enkele sierlijke arabesken veegde het Hof de redenering en de conclusie van het uitgebreid gemotiveerde deskundigen-rapport aan de kant. De beklaagde had immers heel goed kunnen weten, dat hij voorzichtig met alcohol moest zijn, al had hij - zo voegde het Hof er fijntjes aan toe - de deskundigen daaromtrent niets meegedeeld. Enige maanden tevoren had beklaagde immers, aanzittend aan een Korpsdiner, onder invloed van alcoholhoudende drank “zich zoo onbeheerscht gedragen - door met een wijnglas te werpen naar een tafel, waaraan ook hoofd-officieren gezeten waren, waarbij de aanzittenden bijna geraakt waren geworden - dat hij daarover .... ernstig is onderhouden.”

Met de luitenant G. is later alles nog terechtgekomen. Hij beëindigde zijn loopbaan als generaal! En de rechtswetenschap weet sedertdien extra duidelijk dat de rechter geenszins gebonden is aan het oordeel en de conclusies van deskundigen, ook, en misschien juist, indien die deskundigen, die - aldus annotator Pompe - “in het algemeen zo afkeerig (zijn) van oordelen over 'juridische' kwesties als toerekenbaarheid en strafbaarheid, zich ... tot juridische oordelen laten verleiden.” De uitspraak van het Hof was te opmerkelijker, omdat de beide zenuwartsen een grote reputatie genoten, misschien nog wel groter dan die van de psycholoog prof. dr. W.A. Wagenaar, die in de Eper incest-affaire als deskundige is opgetreden.

Ook Wagenaar is in de valkuil gestapt, dat hij zich, met voorbijzien aan zijn rol als deskundige psycholoog en aan de beperkingen die zo'n rol nu eenmaal meebrengt, heeft begeven op het terrein, dat nu juist exclusief het terrein en de verantwoordelijkheid van de rechter behoort te zijn en te blijven, namelijk of de in de dagvaarding vermelde feiten ten laste van de verdachten bewezen kunnen worden verklaard.

Op zaterdag 22 januari verscheen Wagenaar in het tv-programma van Karel van de Graaf. Van de G.: “Hebben ze hun zaakjes zo voor elkaar bij die rechtbank volgens u, dat ze dan ook de waarheid vinden?”

Wagenaar: “Dat is heel moeilijk - zij krijgen maar beperkte stukken. Rechtbanken vragen niet vaak om meer informatie dan ze krijgen, zodat als ze tot de conclusie komen dat ze er niet uitkomen, ja, dan modderen ze toch maar het liefst met de stukken die ze hebben, waarbij het probleem vaak is dat als je zeer omvangrijke dossiers hebt, de rechter eigenlijk niet in staat is om die dossiers behoorlijk te bestuderen. Om een voorbeeld te geven: ik heb eigenlijk drie maanden continu gewerkt aan het dossier van Jolanda, continu, dag-in-dag-uit; laat de universiteit het maar niet horen, die hebben dat betaald; de rechter is daar helemaal niet drie maanden mee bezig. Dat is totaal ondenkbaar. En ik ken het dossier ontzettend veel beter dan die rechters, want ik doe aan close reading; ik vergelijk iedere zin met iedere andere zin. Maar als u rekent dat ik ter aanvulling nog even ergens in november, toen ik eigenlijk al moest rapporteren (? onverstaanbaar) nog even 1073 bladzijden erbij kreeg of ik die ook nog even wou bekijken, dat alleen maar ter aanvulling hoor, want op zo'n stapel zie je dat dan niet eens meer, dan bebrijp je het wanhopige van de situatie van de rechter die met Kerstmis dat pakket mee naar huis krijgt en weet dat in januari die rechtzaak begint. De rechter krijgt gewoon niet voldoende tijd om dat helemaal uitentreuren minutieus te bestuderen, zoals ik dat kan doen, in een enkele zaak.”

Tot zover Wagenaar, die de conclusie trok, dat Nederland op weg is “om strafrechtelijk een bananenrepubliek te worden.”

Wanneer men de uitspraken van Wagenaar op zich laat inwerken, dan is de eerste gedachte, dat het vermogen tot relativeren niet zijn meest in het oog lopende eigenschap is. Toch is voor relativering alle aanleiding. Op een terrein als het onderhavige kunnen redelijk denkende mensen van mening verschillen, zowel over de gebruikte onderzoeksmethoden, als over de uitkomsten van het onderzoek. Wanneer men de kennis van de mens voorstelt door de oppervlakte van een cirkel, dan geeft de omtrek van die cirkel de grens van zijn kennis aan. Daarbuiten is het onbekende. Hoe groter de cirkel, des te meer die mens weet, maar ook: des te meer aanraking hij met het onbekende heeft. De nietsweter, de punt heeft geen aanraking met het onbekende. Hij denkt alles te weten. Iets meer twijfel aan de vanzelfsprekendheid van zijn gelijk zou Wagenaar niet hebben misstaan.

In de tweede plaats moet mij van het hart, dat Wagenaar op weinig sierlijke wijze afstand neemt van de werkmethode van de rechtbank te Zutphen bij de voorbereiding en de behandeling van de zaak. Eén telefoontje naar de persrechter zou voldoende zijn geweest om te vernemen, dat de rechters ruim vóór Kerstmis over een schaduw-dossier de beschikking hadden. Bij de voorbereiding van grote zaken, zoals deze, plegen rechters van andere werkzaamheden vrijstelling te krijgen, zodat zij zich goed kunnen voorbereiden. En misschien hebben zij daar dan minder dan drie maanden voor nodig, omdat rechters wat beter dan psychologen geoefend zijn in het lezen van het niet altijd even toegankelijke juridische proza, en ook omdat zij de structuur van een strafdossier beter kennen en hun weg gemakkelijker vinden dan leken.

Toch kan ik ook waardering opbrengen voor de behoefte aan publiciteit van Wagenaar en voor zijn apodictische en ongenuanceerde uitspraken. Ik voel daarin zijn grote gedrevenheid om het Nederlandse strafproces in al zijn geledingen beter te laten verlopen, opdat nog minder dan thans reeds het geval is, mensen op grond van dubieuze getuigenissen worden veroordeeld. Maar Wagenaar verliest dan totaal uit het oog, dat de Nederlandse rechters, niet één uitgezonderd, dezelfde ambitie hebben bij de uitoefening van hun taak. Hun uitgangspunt is niet voor niets: beter tien schuldigen buiten, dan één onschuldige in de gevangenis. Wagenaar en de Zutphense rechtbank hebben dezelfde strijd gestreden, de één als deskundige, de ander als rechter, maar door zijn antagonistische opstelling heeft Wagenaar dat beeld vertroebeld ten nadele van de rechtspraak, maar vooral ten nadele van zijn eigen geloofwaardigheid.

Twijfel aan de vanzelfsprekendheid van zijn gelijk zou Wagenaar niet hebben misstaan