Onbehagen in Nederland

De verkiezingen voor nieuwe gemeenteraden draaiden vorige week uit op een nationale demonstratie van onbehagen. Bij meevallende opkomstpercentages kregen de regeringspartijen fors klop. Commentaren op de verkiezingsuitslag concludeerden dat onvrede over schaduwkanten van een multiculturele en steeds veelkleuriger samenleving nu politiek manifest is geworden. Het massale gevoel van onlust heeft evenwel nog andere oorzaken dan de onbeheerste toestroom van vreemdelingen, die onder andere leidt tot een acuut tekort aan woningen en gevangeniscellen, en op iets langere termijn ook het werkloosheidsprobleem aanzienlijk zal verscherpen. De radicalisering van het electoraat bleef niet beperkt tot volksbuurten en wijken die kort na de oorlog uit de grond zijn gestampt. Velen uit de middengroepen voelen zich eveneens door de overheid in de steek gelaten en eisen bescherming van hun positie. Zowel eigenheimers uit de onderklasse als de hoofdzakelijk in groeigemeenten gehuisveste economische ruggegraat van de natie zijn daarmee verantwoordelijk voor de aderlating van de huidige regeringspartijen.

Veel kiezers zijn ontdaan over de wanprestaties van de overheid. Al gedurende langere tijd vervult het overbelaste overheidsapparaat de klassieke staatstaken niet langer naar behoren. Het openbaar bestuur mist richtinggevoel en daadkracht. De openbare ruimte verloedert, de politie doet haar werk niet goed. Gevoelens van toenemende onveiligheid gedijen. De herverdelingsmachine hapert. Boze boeren zien hun miljardensteun bedreigd, huurders wacht een forse stijging van woonlasten, bezorgde bejaarden vrezen aantasting van hun oudedagsvoorziening. Inmiddels heeft de door het CDA met ongebruikelijke openhartigheid in het vooruitzicht gestelde bevriezing van de AOW-uitkering geleid tot een beginnende opstand onder de ouderen. Dat de kritiek zich op de christen-democraten concentreert, is slechts het gevolg van de onhandige manier waarop het CDA zijn inkomensplannen heeft aangekondigd. Bij de meeste andere partijen zijn ouderen immers niet of nauwelijks beter af. De doorberekening van de partijprogramma's door het Centraal Planbureau toont aan dat ouderen, die uitsluitend moeten rondkomen van hun AOW, tussen 1995 en 1998 zowel bij CDA als D66 jaarlijks anderhalf procent koopkracht zullen verliezen. Bij uitvoering van de VVD-plannen loopt hun jaarlijkse koopkrachtverlies zelfs op tot bijna twee procent. Alleen Groen Links stelt een duidelijke verbetering van het staatspensioen voor.

De campagneleiding van het CDA heeft echter de onvergeeflijke fout gemaakt de kiezers eerlijk te zeggen waar het op staat. Wanneer in verhouding steeds minder werkenden het geld moeten opbrengen voor uitkeringen aan een snel groeiende groep uitkeringsontvangers, raakt de nationale economie steeds verder ontwricht. Het achterblijven van de uitkeringen is daarom onvermijdelijk. Deze redenering klopt als een zwerende vinger, maar veel kiezers willen de boodschap niet horen. Bij de komende verkiezing van de Tweede Kamer gaan de christen-democraten voor de geschapen duidelijkheid vermoedelijk een hoge prijs betalen.

Iedereen hoopt ooit een AOW-uitkering te ontvangen. De deining rondom het ouderdomspensioen raakt daarmee direct aan de verwachtingen en aspiraties van de middengroepen. Ten onrechte is na de laatste verkiezingen weinig aandacht besteed aan onlustgevoelens die leven bij de oude en de nieuwe middenklasse. De forse vooruitgang van VVD en D66 wortelt in het ongenoegen bij de mensen met een gezinsinkomen tussen vijftig- en honderdenvijftigduizend gulden per jaar. Zij vrezen hogere belastingen op het eigen huis, de auto en het pensioen. Onderwijl neemt het aantal inbraken in de buurt toe en groeit het besef dat de dienstverlening ook bij andere openbare voorzieningen, zoals het onderwijs, te kort schiet. De idee wint daarom veld dat 'ons soort mensen' beter zijn eigen voorzieningen kan regelen - overigens graag wel met forse fiscale faciliteiten. De zekerheid van de middenklassen drijft op de kurk van het eigen huis en een behoorlijk pensioen. De auto voor de deur vormt de levenslijn tussen met het openbaar vervoer nauwelijks te bereiken nieuwbouwwoningen en de werkplek in en bij de door problemen geteisterde steden. Partijen die terecht of ten onrechte worden gezien als bedreiging voor symbolen van eigen welvaart en succes (huis, auto) hebben inmiddels veel krediet in het midden verspeeld.

Dus tekent zich een verdere winst voor de liberalen af. De zich bedreigd voelende middenklassen wacht een grote ontnuchtering. Bij matige economische groei en uitvoering van de VVD-plannen zien de middengroepen hun koopkracht de komende vier jaar in totaal met vijf procent teruglopen. Bij Kok zijn ze beter af (min vier procent), CDA en D66 beloven de geringste inkomensachteruitgang (min drie procent). Dringen deze zwarte koopkrachtcijfers voldoende door, dan monden de komende kamerverkiezingen pas echt uit in een massale demonstratie van onbehagen.