Ministers wijzen rapport af; Kamer ziet 'angstig vermoeden' bevestigd

DEN HAAG, 8 MAART. De fractiespecialisten in de Tweede Kamer menen dat het rapport van de Algemene Rekenkamer over de sterkte van de politie hun “angstige vermoedens' bevestigt. De 'politieminsters' Van Thijn (binnenlandse zaken) en Hirsch Ballin (justitie) zijn het echter niet eens met de strekking van het rapport.

Kamerlid H. Dijkstal (VVD) pleitte vorige zomer voor een onderzoek van de Algemene Rekenkamer, omdat hij bang was dat de politiekorpsen de extra financiële middelen liever uitgaven aan materieel dan aan politie-agenten op straat. “De verantwoordelijke bewindslieden hebben steeds beweerd dat de politiesterkte toenam”, zegt Dijkstal. “Dat blijkt dus niet het geval.” Dijkstal zegt zich grote zorgen te maken over het “harde oordeel” dat de Rekenkamer velt over de manier waarop de departementen hun administratie hebben gevoerd.

Het Kamerlid Brouwer (GroenLinks) noemt het “hoogst merkwaardig” dat de twee politieministeries geen juiste informatie kunnen leveren over de feitelijke sterkte van de politie. Volgens Brouwer is de politieke discussie vernauwd tot de steeds terugkerende “roep om méér”. D66-woordvoerder Kohnstamm stelt dat “alleen de beide politieministers zich Oostindisch doof hielden voor geluiden uit het veld dat de extra gelden niet naar de uitbreiding van het aantal politiemensen op straat ging.”

De Tweede Kamer heeft de laatste jaren “heel ingewikkeld” gedaan over de financiën en de sterkte van de politiekorpsen, maar “eigenlijk weet niemand waar het over gaat”, zegt CDA-politiespecialist F.J. van der Heijden. Ook niet de bewindslieden, de ministers Van Thijn en zijn voorganger Dales (binnenlandse zaken) en Hirsch Ballin (justitie). Volgens Van der Heijden heeft de Kamer jarenlang zitten “raden” naar de rechtmatigheid van de klachten en eisen van de politiekorpsen ten aanzien van hun personeelssterkte.

De beide ministers zijn het oneens met de kritiek van de Rekenkamer dat het aantal 'agenten op straat' in de onderzochte periode niet is gestegen. Volgens de bewindslieden toont het onderzoek aan dat het huidige kabinet de uitbreiding van het politiebudget heeft besteed aan verhoging van de sterkte. Omdat er “vertraging” optreedt doordat er nog nieuw personeel in opleiding is, zijn de effecten van de uitbreiding van het budget op de politiesterkte nog niet volledig zichtbaar, aldus Van Thijn en Hirsch Ballin.

Van Thijn is het ook niet eens met de aanbeveling van de Rekenkamer de informatie van alle gemeenten, en in het nieuwe politiebestel van alle politieregio's, aan een uitgebreide toets te onderwerpen of door een onfhankelijke derde te laten onderzoeken. Voor de gemeenten gelden geen regels die hen verplichten het ministerie informatie over de besteding van het politiegeld te geven. Van Thijn vindt dat, ondanks kritiek hierover van de Rekenkamer, niet nodig.

Korpschef J.L. Brand van Den Haag prijst het rapport van de Rekenkamer en meent dat het geen verwijt aan de politie bevat. “De prioriteit lag in de afgelopen periode bij meer mensen op straat, maar de realiteit het geld opging aan de stijgende loonkosten en dat in onze achterstand in materieel opzicht.”

De Nederlandse Politiebond (NPB) pleit naar aanleiding van het rapport van de Rekenkamer voor “meer financiën richting de korpsen”. Eerst dient het aantal politiemensen op peil te worden gebracht, daarna de materiële voorzieningen, aldus de NPB. De christelijke bond ACP is het niet eens met de aanbeveling van de Rekenkamer dat de controle over de rekeningen van de korpsen door 'Den Haag' moet worden gedaan om een beter inzicht te krijgen in de bestedingen. “Die controle moet worden gedaan door de 25 politieregio's”, zegt een woordvoerder. “Iets wat in Groningen een nuttige besteding is kan in Amsterdam anders worden beoordeeld.”