Krakkemikkig orgeltje van Ligeti begint als fluitketel te joelen

Concert: Asko- en Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw. Werken van Ligeti, Fomina en Vivier. Gehoord: 5/3 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4 Vara 11/3.

In 1959 bestudeerde György Ligeti een netwerk aan klankclusters in de schetsen voor Fasce van Friedrich Cerha en riep spontaan uit: “Hoe kan dat, je schrijft mijn stuk!”

Belangrijke vernieuwingen hangen blijkbaar in de lucht. Twaalftoons-systemen zijn er vele bedacht, met als meest spraakmakende die van Hauer en Schönberg. Ook de serialiteit werd op meerdere fronten ontwikkeld, via Fano naar Boulez en via Goeyvaerts naar Stockhausen. Hierdoor ontstond een frappante eenheid aan stijl, maar wellicht nog het meest na de experimenten met clusters rond 1960 door Cerha en Ligeti.

Vandaag de dag ontbreekt zo'n sturend effect, zoals het concert in de Vara-matinee kon verduidelijken: vóór de pauze klonken de dichte klankweefsels van Ligeti uit 1971 (Melodien) in combinatie met de meer recente van zijn leerlinge Silvia Fomina (Im Halbdunkel). Daarna was er de geheel 'vrije' muziek van Claude Vivier (Lonely Child uit 1980, quasi Oosters: Rimsky-Korsakov voor de postmoderne luisteraar) en Ligeti's recente vijfdelige Vioolconcert. Na een ernstige crisis aan het begin van de jaren tachtig ruilde de componist zijn clusterstijl in voor een inspiratie op de ritmische experimenten van Nancarrow en de Banda-polyfonie uit Centraal-Afrika - diversiteit in simultane snelheden.

Als pianist is Ligeti minder vertrouwd met de viool, vandaar dat het Vioolconcert hem te veel afweek van wat hij voor ogen had. Bovendien wilden de timbres niet versmelten zoals van slide whistles en ocarina's. Zo ontstond in 1992 een revisie van het twee jaar eerder gecomponeerde concert en voegde Ligeti voor een betere balans nog eens twee middendelen toe. Over klankexperimenten gesproken: de Passacaglia begint als een krakkemikkig orgeltje, waarboven in flageoletten als het ware een fluitketel begint te joelen: een thee-zettende organist - ik zie Kagel al jaloers reageren met: “je schrijft mijn stuk.”

Kageliaans is ook het voortdurend op het verkeerde been zetten van de luisteraar. Zo blijft het gebruikelijke orkestspel, volgend op een grote cadens, plotsklaps uit. Maar van een eenvoudige speelsheid zou ik hier niet willen spreken. De apocalyptisch groteske accenten uit het Requiem (hoogtepunt uit voornoemde clusterperiode) mogen dan nu op een vrijblijvende wijze zijn uitgewerkt, veel luchtiger, een enigszins nukkige en wrange ondertoon is gebleven. Ligeti's muziek is romantischer geworden, maar gladjes zal hij nooit klinken.

Violist Saschko Gawriloff en het gecombineerd Asko-Schönberg Ensemble troffen de juiste toon. Gavriloff onderstreepte de virtuoze en lumineuze aspecten en het orkest karakteriseerde zowel kantig scherp de ritmische polyfonie als kleurig versmeltend al die timbre-wondertjes.