Het vege lijf 8

Wartaal uitslaand wankelde de 36-jarige Herman door de gang van het revalidatiecentrum. Zijn 74-jarige moeder Anna volgde, licht gebogen, tranen in haar ogen. Plotseling ging ze vermoeid op een stoel zitten. Herman had niets in de gaten en strompelde verder naar zijn kamer. Anna klampte de eerste die ze zag aan en vertelde hoe ze haar enige zoon kortgeleden nog bewonderd had.

Hij was altijd de beste van de klas geweest. Hij had in Delft gestudeerd en had daarna een indrukwekkende carrière gemaakt. Wat hij precies deed had Anna nooit begrepen. Het had met computers te maken en leverde Herman niet alleen geld op maar zelfs een auto met chauffeur. En nu zwalkte hij wartaal pratend door de gang. Eén hersenbloeding had een einde gemaakt aan Anna's trots.

Herman was weer een hulpeloos kind geworden. Maar Anna was geen jonge moeder meer. Maandenlang had ze zich voor Herman ingespannen, hem lekkernijen gebracht en hem aangemoedigd snel te herstellen. Toen ze hoorde dat de artsen niets meer voor Herman wisten te doen en daarom definitief verblijf in een psychiatrische inrichting adviseerden, protesteerde ze niet.

Het duurde dagen voordat ze hem weer onder ogen durfde te komen. Ze vertelde Herman dat hij nooit meer naar huis zou kunnen. Ze verzekerde dat zij hem niet in de steek liet, dat zij hem eigenlijk zelf wilde verzorgen, maar dat zij zich te oud voelde en hem daarom moest laten gaan. Hij staarde haar verbaasd aan en slaakte toen een luide gil. Het was een angstaanjagend geluid. In het begin van Hermans ziekte dacht Anna dat zo'n gil een bijzondere betekenis had. Maar al snel had ze het zoeken daarnaar opgegeven. Herman gilde op de meest uiteenlopende ogenblikken, als hij in bed lag, in de zon zat, aan de arm van een verpleegster wandelde of met zijn moeder at. Het leek alsof de gil veroorzaakt werd door een mechanisch defect in zijn hoofd, een loshangend draadje waardoor op volstrekt willekeurige momenten kortsluiting ontstond.

Anna had een grote behoefte om de verpleging van het psychiatrische ziekenhuis duidelijk te maken wie haar zoon geweest was, en deed daar steeds verwoede pogingen toe. Ze werd begripvol aangehoord, maar ze had de indruk dat haar verhalen voor artsen en verpleegsters weinig betekenden. Voor hen was Herman een zwalkende gek; die andere Herman kwam slechts voor in Anna's verhaal. Aan de andere kant had Anna ook een grote behoefte om familie en kennissen uit te leggen hoe slecht het met Herman geëindigd was. Maar bij hen had ze de indruk dat ze vonden dat ze overdreef. Herman was er toch nog? Je hoorde toch vaak verhalen over mensen die na lange tijd meer opknapten dan ooit een dokter had kunnen denken? Ja maar, betoogde Anna dan, dit is mijn Herman niet meer. Herman ben ik voor goed kwijt. Die komt nooit meer terug.

Een oudere zuster zei streng dat Anna meer geduld moest hebben. Ook vroeg ze waarom Herman eigenlijk naar een psychiatrische inrichting moest. Kon Anna hem niet in huis nemen? Anna reageerde met een woedeaanval. Ze vond het al erg genoeg dat Hermans leven was verwoest, maar moest daarom haar eigen bestaan ook volledig ten gronde worden gericht? Ze ging zo te keer, dat haar zus beledigd opstond en vertrok met de mededeling dat ze haar nooit meer wilde zien.

Anna verbrak het contact met alle kennissen van wie ze de indruk had dat ze haar gevoelens van schuld omdat ze Herman alleen had gelaten, wilden versterken. Tegelijkertijd bezocht ze Herman twee keer per week. In de loop der jaren verminderde haar schuldgevoel. De behoefte om te vertellen wie de oude Herman was, verdween helemaal. Maar ze raakte er nooit aan gewend dat ze haar zoon kwijt was, terwijl hij toch nog leefde. Dat merkte ze het sterkst als ze over hem sprak en ze zich genoodzaakt voelde uit te leggen over wie ze het had: de Herman van vroeger of de Herman van nu.

    • Ben van der Velden