Gornji Vakuf bestaat niet meer

ZENICA, 8 MAART. Tegen het einde van de tweede oorlogswinter baadt het Bosnische landschap in schoonheid. De akkers zijn nog bevroren, een eenzame boer sjokt langs de weg, zijn kalasjnikov over de schouder.

Humanitaire konvooien en VN-voertuigen verstoren van tijd tot tijd de stilte, afgewisseld door colonnes trekkers en vrachtauto's van het Bosnisch-Kroatische HVO-leger die, geheel volgens het overeengekomen bestand tussen HVO en het Bosnische leger, zwaar geschut naar Split transporteren. Maar in tegenovergestelde richting voeren de Kroaten ondertussen bussen vol verse soldaten aan. De voertuigen zijn oud en gedeukt, maar de nummerplaten ogen blinkend en nieuw: die van het reguliere Kroatische leger (HV) moeten immers vervangen worden door die van het HVO, omdat Kroatische soldaten officieel niet deelnemen aan de Bosnische burgeroorlog.

In grote lijnen houdt het bestand, al zijn op diverse plaatsen nog sluipschutters actief en woedt in Prozor een gewapende strijd om de macht tussen HVO-milities onderling. Zelfs in Gornji Vakuf, waar al een jaar lang alle bestanden volstrekt genegeerd zijn, klinkt slechts af en toe nog wat mitrailleurvuur of een schaarse granaatinslag.

Objectief bezien bestaat Gornji Vakuf niet meer. Hier zijn niet zoals elders de huizen zwaar beschadigd of verwoest, hier is ongeveer alles met de grond gelijk gemaakt. De vrijgekomen ruimte is gebruikt voor geïmproviseerde begraafplaatsen. Zelfs de geasfalteerde straten van de stad zijn veranderd in metersdiepe modderige kuilen en er is geen lantarenpaal of boom die de strijd heeft overleefd. Bij enkele honderden, misschien duizenden, inwoners van de stad is dat wel het geval. De overlevenden wonen al maandenlang in de kelders van wat eens hun huizen waren. Nog altijd durven ze zich nauwelijks buiten te wagen. Hing er niet hier en daar wasgoed te drogen en was er niet die ene kleuter die zich op zijn driewieler een weg probeert te banen tussen de uitgebrande resten van zijn voormalige woonwijk, dan zou Gornji Vakuf op een van God verlaten spookstad lijken.

Hoe anders is de sfeer in Zenica, het geografische hart van Bosnië. Hier zijn de straten volgepakt met mensen die wanhopig proberen te overleven. De stad is nauwelijks beschadigd, want voor Bosnische begrippen is het er al twee jaar 'relatief rustig'. Dat betekent niet meer dan enkele granaatbeschietingen per week en geen enkel bestand heeft daar verandering in gebracht.

Pag.4: In Zenica ligt de buitenwereld àchter de sluipschutters

Zaterdag nog troffen drie granaten de stad. Afkomstig van Servische of van Kroatische zijde, niemand die het kan zeggen. Wat wel vast staat is het resultaat: vier doden en zes gewonden. Maar niemand die zich daar ook maar in het minst druk om lijkt te maken. Daarvoor neemt de strijd om het naakte bestaan te veel tijd en energie in beslag.

Het grootste deel van de bevolking in deze stad is geheel afhankelijk van humanitaire hulp. Althans, dat geldt voor wie geen geld heeft. De zwarte handel tiert welig en tegen astronomische bedragen is er wel degelijk van alles te koop. Een pakje sigaretten kost vijftien miljoen Bosnische dinar of tien D-mark, een kilo bloem twintig mark. Op straat proberen mensen het laatste wat ze nog bezitten aan de man te brengen: een kandelaar, een verschoten winterjas of een schroevendraaier, iedereen verkoopt alles aan iedereen.

Toch ademt de stad in sommige opzichten nog de sfeer van vroeger. Zo zijn er drie bioscopen geopend, waar al een jaar lang steeds dezelfde twaalf films worden vertoond. In café Tropical drinkt de plaatselijke intelligentsia zijn espresso à 1,35 miljoen dinar per kop. Omgeven door ficus-planten en spiegelwanden converseren ze in Louis XVI-stoelen, met moderne popmuziek op de achtergrond. Maar buiten, bij de gemeentelijke vuilnishoop, wroeten dagelijks honderden mensen, sommigen ondanks alles nog gekleed in mantelpak of colbert, naar etensresten in het afval.

Nog altijd beschikt de burgerbevolking vrijwel nooit over elektriciteit of water. De bewoners van de bovenste verdiepingen van 'de Chinese muur', een Bijlmer-achtige flatwijk, moeten al twee jaar lang iedere dag in het pikdonker een jerrycan water vijftig trappen omhoog zeulen. Met een grote inventiviteit gaan de bewoners van de stad de noodsituatie te lijf. Brandend plexiglas of een met olie gevuld sardineblikje dient als kaars, buren helpen elkaar waar mogelijk.

De meeste jongemannen gaan nog gehuld in camouflagepakken, het aantal op krukken voorthinkende soldaten is ontelbaar. Toch loopt iedereen dagelijks enorme afstanden en dat geldt niet alleen voor oorlogsinvaliden maar ook voor bejaarden en kinderen. Zenica is vrijwel geheel van de buitenwereld afgesloten, daar de wegen nog altijd geblokkeerd zijn. Alleen Travnik is te bereiken, via een 38 kilometer lange bergweg. Een deel van die weg ligt onder het bereik van Kroatische sluipschutters, van wie sommigen ondanks het bestand het nog altijd als hun vaderlandse plicht beschouwen af en toe een 'vijandelijke' voetganger neer te schieten. Langs deze weg lopen tientallen burgers die op zelfgemaakte karretjes pakken bloem of flessen olie met zich meezeulen. Voorbij het bordje 'Pas op: sluipschutters' rennen ze in elkaar gedoken zo hard mogelijk door, dekking zoekend achter stellages van hout en stenen.

De meeste moslims en Kroaten lijken er echter van overtuigd dat het bestand duurzaam zal zijn en dat een confederatie van Kroatië met het niet-Servische deel van Bosnië de enige kans vormt op een levensvatbare staat. In zijn kantoor in Travnik toont het Bosnische parlementslid dr. Mirza Mujadzic zich optimistisch over het toekomstige vreedzame samenleven met de Kroaten. Serviërs zijn volgens hem “wilde, primitieve boeren zonder enige beschaving” maar op Kroaten heeft hij niets tegen. Toch doet het, temidden van een decor van tientallen in onderlinge confrontaties door Kroaten en moslims kapotgeschoten dorpen, wat merkwaardig aan om deze moslim-parlementariër langdurig te horen uitweiden over “de eeuwenlange historische vriendschap” tussen Kroaten en moslims, “volkeren die van oudsher gezamenlijk hun blik op het Westen hebben gericht”. Het gewone leven zal dan ook spoedig zijn normale loop weer hervinden, zo meent hij.

Zo ver is het echter nog lang niet en zo lang het herstel van het verwoeste land op zich laat wachten, blijft meer dan de helft van de Bosnische bevolking aangewezen op voedselhulp van buitenaf. In ieder geval zijn de doden begraven en hebben de gewonden inmiddels met hun protheses leren lopen. Vrede zal uiteindelijk weer heersen - totdat, zo weten de Bosniërs, over een jaar of veertig de tijd zal zijn aangebroken dat de kinderen van nu de openstaande rekeningen van dan zullen vereffenen.