Europol moet geen club worden van Europese politie-officieren

De organisatie Europol is opgericht om gezamenlijk de georganiseerde misdaad in Europa aan te kunnen pakken.

Jonathan Eyal betreurt het dat door de publiciteit over de interne ruzies nauwelijks aandacht is besteed aan het statuut van de nieuwe politieorganisatie.

Europol, de eerste opzet van de Europese Unie om de gezamenlijke criminaliteitsbestrijding te structureren, heeft zijn eerste operationele maand in Den Haag erop zitten. Volgens coördinator Jurgen Storbeck verlopen de werkzaamheden van Europol volgens plan. Het debat over bevoegdheden en werkterrein van de nieuwe organisatie is echter nog maar pas begonnen.

De behoefte aan Europol staat buiten kijf. De openstelling van de Oosteuropese grenzen en de ineenstorting van het rigide staatsgezag in de voormalige communistische landen, in combinatie met het slechte opleidingsniveau en materieel van de plaatselijke politiekorpsen, heeft geleid tot een explosieve groei van de georganiseerde misdaad. Volgens diverse schattingen passeert ruim een kwart van alle in West-Europa verhandelde heroïne Oost-Europa, en staat de omvang van de Oosteuropese drugshandel in het westen waarschijnlijk gelijk aan de Belgische jaarbegroting. Polen is een grote leverancier geworden van amfetaminen, en Roemenië, Bulgarije en Hongarije hebben de plaats van Joegoslavië als belangrijkste drugsroute uit het Midden-Oosten ingenomen.

Hier komt nog bij dat de procedures en maatstaven voor het politiewerk in de verschillende EU-landen nog te sterk uiteenlopen. Hoewel de omvang van een nationale politiemacht geen maatstaf is voor haar doeltreffendheid, is het wel een indicatie voor de grote onderlinge verschillen tussen de lidstaten. Het gemiddelde aantal inwoners per politiebeambte in de Unie is 257. Maar in Denemarken bedraagt die verhouding 1:499, in Nederland 1:301 en in Italië maar liefst 1:191. Bovendien verschillen de procedures voor het vergaren van informatie, het aanhouden van verdachten en de veroordeling van schuldigen hemelsbreed.

Het voornaamste argument tégen Europol is dat er taakverdubbeling optreedt: Interpol, een soortgelijke, maar veel breder opgezette organisatie, heeft al bevoegdheden op het terrein van de internationale misdaad (drugs in het bijzonder) die een beslag leggen op tweederde van Interpols activiteiten en middelen. Er wordt echter voortdurend ernstig getwijfeld aan de doelmatigheid van deze instelling. Zo staat de organisatie voortdurend bloot aan kritiek van de landelijke vereniging van politiechefs in de Verenigde Staten, die beweert dat Interpol inefficiënt en van hoog tot laag is geïnfiltreerd door drugsverklikkers. Veel westerse landen aarzelen al jaren om gevoelige inlichtingen binnen Interpol uit te wisselen, uit vrees dat die informatie belandt in landen die het terrorisme en andere illegale activiteiten bevorderen.

Daarom werd op een vergadering in 1991 in Den Haag besloten tot de oprichting van Europol. Aanvankelijk moest Europol begin 1993 operationeel zijn, maar uiteindelijk kostte het nog een jaar voordat deze droom werd verwezenlijkt, ondanks het feit dat veel van de oorspronkelijke samenwerkingsvoorstellen waren gebaseerd op bepalingen in het al in 1990 gesloten verdrag van Schengen.

In Europa werd weinig publieke aandacht besteed aan de mysterieuze discussies over Europol. De publiciteit concentreerde zich op de emotioneel geladen vraag waar de organisatie zou gaan zetelen. Een ingewikkeld compromis tussen diverse EU-landen was onvermijdelijk, en Nederland bood als eerste twee jaar geleden financiële prikkels voor de huisvesting van Europol. Het is jammer dat door al het geruzie (met onterechte beschuldigingen van Frankrijk aan het adres van Nederland als zou dat 'ongeschikt' zijn om Europol te huisvesten wegens zijn vermeende slappe houding jegens soft-drugs), slechts weinigen oog hadden voor het statuut van de nieuwe politieorganisatie en het ontbreken van democratische controlemiddelen.

Oorspronkelijk bestond er het voorstel om een Europese inlichtingendienst op te zetten, maar Europol werd gereduceerd tot een organisatie voor de bestrijding van de drugshandel. Deze maatregel is noodzakelijk, maar zij voldoet nauwelijks aan de behoeften van de Unie. Belangrijker nog is dat Europol is opgericht op grond van een akkoord tussen regeringen en geen uitvloeisel is van de hoofdtaken van de Unie. Dit is koren op de molen van de Britten en de Denen die elke ontwikkeling naar een 'federaal' Europa vrezen. Ook was het deel van het compromis waardoor de ratificatie van het Verdrag van Maastricht mogelijk was. Als deze regeling echter gehandhaafd blijft, dreigt Europa van de regen in de drup te komen: geen effectief wapen tegen de georganiseerde misdaad, én een organisatie die niet aan democratische verantwoording is onderworpen.

Op dit moment bestaat Europol nog uit een klein aantal vertegenwoordigers per land, die elk tot taak hebben te beslissen hoeveel (of hoe weinig) informatie aan een ander land kan worden doorgegeven. Het streven naar nauwere samenwerking staat centraal in elke instelling van de Unie. Jurgen Storbeck hoopt dat Europol, waar hij tijdelijk aan het hoofd staat, uiteindelijk zal groeien tot een bureau met circa driehonderd beambten en een begroting van vijfendertig miljoen gulden. Voorlopig echter heeft hij slechts een begroting van vier miljoen gulden en een staf die met wat goede wil voor het eind van dit jaar vijftig personen zal tellen. Die opereren zonder enige feitelijke supervisie van het Europees Parlement of de nationale parlementen.

Volgens het Verdrag van Maastricht heeft het Europees Parlement het recht zich te informeren, ook over zaken die in wezen tussen de regeringen van lidstaten blijven. Bovendien is de voorzitter van de Raad van Europa volgens het Verdrag verplicht om de opvattingen van het Europees Parlement in dit soort kwesties ten minste in overweging te nemen. De praktijk is anders gebleken: de Britse regering, die telkens beweert dat ze voor meer 'democratische controle' binnen de Unie is, was voorzitter in de tweede helft van 1992, toen het Europees Parlement over Europol wilde discussiëren. Maar zonder de minste scrupules weigerde Kenneth Clarke, destijds de Britse minister van binnenlandse zaken (die nota bene werd beschouwd als een van de voorvechters van 'Europa' in zijn regering) alle informatie, omdat dit geen zaak zou zijn waarvoor de parlementariërs zich zouden moeten interesseren.

Niet uit het veld geslagen publiceerde het Europees Parlement in 1993 een rapport van de Belgische Europarlementariër Lode van Outrive. Daarin stond de eis dat Europol onder de werking van de gewone Europese wetgeving werd gebracht. Niet alleen werd dit rapport nauwelijks opgemerkt, maar bovendien gingen de Europese regeringen nog een stap verder en gebruikten hetzelfde artikel in het Verdrag van Maastricht, waarin het parlement consultatie wordt beloofd, om nóg een schimmige politie-organisatie op te zetten.

De zogeheten K4-commissie bestaande uit hoge officieren van politie- en inlichtingendiensten, kwam vorig jaar november voor het eerst bijeen, officieel om het immigratiebeleid binnen de Unie te bespreken. Het Europarlement is niet alleen onkundig van het doen en laten van deze commissie, het weet niet eens wie erin zitten. En zo zijn er, verborgen voor het oog van het publiek, nog tal van andere 'informele' politie-samenwerkingscommissies, uiteenlopend van schijnbaar onschuldig tot aan de zeer onduidelijke groepering 'Kilowatt' die anti-terroristische activiteiten zou coödineren met de politiemacht van landen buiten de Unie.

De meeste regeringen beweren dat er opheldering komt wanneer tegen het eind van dit jaar een akkoord over de werking van Europol wordt gesloten. Toch zijn er aanwijzingen dat dit akkoord alleen maar een breder debat over Europols bevoegdheden zal openen, in plaats van de kwestie van de democratische controle te regelen. Plannen om ook 'zachte' informatie (in wezen oncontroleerbare geruchten) in de databases van Europol op te nemen vormen nog maar een waarschuwend voorproefje van wat nog komen gaat.

Een recent rapport van het Centrum voor Bestudering van de Openbare Orde van de Universiteit van Leicester (Engeland) biedt voor het eerst een gedegen overzicht van de complexiteit van de bestaande situatie. In meer dan 300 bladzijden documenteert het rapport alle organisaties die thans bestaan, en de problemen binnen elk van de nationale politiemachten. Het doet ook enkele serieuze aanbevelingen. Het pleidooi in het rapport voor de oprichting van een Europees onderzoekscentrum inzake criminaliteit kan het vermoeden van eigenbelang wekken, maar zo'n centrum is wel degelijk nodig, al was het maar om tot overeenstemming te komen over de vraag welke problemen Europa moet aanpakken en hoe. Een onderzoek naar het nut van legalisering van bepaalde drugs is bij voorbeeld geknipt voor een dergelijk Europees instituut. Het Britse rapport doet tevens de suggestie een Europese politie-universiteit op te richten voor de opleiding van officiers en dat er een register wordt aangelegd van alle thans fungerende samenwerkingsverbanden tussen politieorganisaties.

De kans dat sommige van deze voorstellen worden overgenomen is echter gering. Want verscholen achter de naam Europa zijn de politiechefs en sommige van hun politieke bazen juist in hun sas met hun huidige vrijheid en armslag. Europol is goed en wel aan het werk gegaan in Den Haag. Nu is aan alle Europeanen de taak te zorgen dat Europol zowel de nodige bevoegdheden als passende democratische verantwoordelijkheden krijgt. Het is zaak dat Europol geen club voor politieofficieren wordt maar het fundament van onze vrijheden.

In Europa werd weinig publieke aandacht besteed aan de mysterieuze discussies over Europol

    • Jonathan Eyal