Elisabeth

Ze heeft het bij Jan gezien, én bij haar vader, én bij haar moeder: een mooi licht dat over de stervende strijkt en iets meeneemt. Dat 'iets' is misschien dat wat ze de ziel noemen.

Elisabeth is 56. Ze maakte schoon bij Intercasa. Harm werkte daar ook en toen was het: goh, kan je ook eens bij ons komen stofzuigen? Maar hun werkster was ze niet. Met de werkster ga je niet naar de schouwburg of de verjaardag van je moeder. Vriendschap was het.

Harm en Jan. Je kon er altijd terecht, ze stonden altijd voor je klaar. Dat overlijden van Jan, dat is maar het halve verhaal. Eigenlijk gaat het over de warmte van een vriendenkring. Met z'n allen hebben ze gezorgd dat Jan thuis kon blijven.

“Toen hij ziek was”, zegt ze, “kwam ik er twee, drie keer per dag. En dan zie ik mezelf altijd met een zak wasgoed. Jan was een magneet voor ons. Telkens moest je hem even zien, dan had je weer een tijdje rust.”

“Toen hij stierf”, zegt ze, “stond ik aan het voeteneinde. Ik zag iets komen. Ik voelde een trilling, ik dacht: maar je moet mij niet halen! Uiteindelijk ging die lichtbundel achter iedereen langs, langs de trap naar boven en bij het raam naar buiten.”

“Had ik nou naast je gestaan”, vraag ik, “had ik het dan ook gezien?”

Dat weet ze niet. Maar zij zag het net zo duidelijk als het schilderij dat daar hangt.