Een beroep om niemand te vertrouwen

Misschien is de vervelendste kant van het beroep van taxichauffeur dat je zo langzamerhand niemand meer durft te vertrouwen. Je hebt ooit gedacht dat er zoiets bestond als intuïtieve mensenkennis en je meende dat je ervaren genoeg was om daarvan een flinke dosis te bezitten, maar je hoort de laatste jaren te veel gruwelijke verhalen. Van en over collega's die óók dachten met een enkele oogopslag hun vrachtje te kunnen taxeren.

Neem Hans Gerrits, taxichauffeur te Hilversum. Hij reed in oktober 1993 een 20-jarige jongen, Richard Koens geheten, naar diens huis in een dorp in de omgeving. Het was omstreeks vijf uur op de zondagmorgen. Richard had een roerige uitgaansnacht achter de rug, maar hij had niet te veel gedronken en hij maakte een rustige indruk. Chauffeur en passagier babbelden er gezellig op los. Er leek niets aan de hand.

Zodra ze het dorp hadden bereikt, liet Richard de taxichauffeur stoppen. Hij beweerde dat ze bij zijn huis waren aangekomen en rekende af. Terwijl Gerrits het geld - 26,40 gulden - in zijn portemonnee opborg, zei Richard plotseling: “Geef me al je geld.”

Gerrits keek op en zag een pistool op zijn hoofd gericht. “Ook de autosleutels”, zei Richard. Gerrits gehoorzaamde zonder aarzeling. Richard stapte met de buit uit de auto, maar draaide zich drie meter verder nog even om. Er klonk een knal en Gerrits zag een oranjerode vlam. Hij moet voor zijn leven hebben gevreesd, want hij kon niet weten dat Richard hem alleen maar schrik wilde aanjagen met een alarmpistool.

Deze morgen moet Richard Koens bij de meervoudige kamer van de Utrechtse rechtbank zijn daad verantwoorden. Hij is een grote, slomige jongen met een braaf gezicht, gekleed in mooie, bonte kleren: een kobaltblauwe broek en een blauwrode trui. Zijn hoofd is kaalgeschoren, behalve bovenop de schedel. Hij is van Surinaamse afkomst, wat de reden was waarom hij snel gepakt kon worden: in zijn dorp wonen weinig Surinaamse gezinnen.

“U heeft tegen de politie gezegd dat u zonder geld zat”, zegt mr. W. Hartog Jager, de rechter die de ondervraging leidt.

“Ik had geen eigen inkomsten meer”, zegt Richard. “Ik werkte niet meer en de Sociale Dienst zei de laatste keer dat ik nergens meer recht op had.”

“Dan moet u niet uitgaan.”

“Ik had 25 gulden van mijn moeder gekregen.”

“U heeft gezegd dat u het alarmpistool had meegenomen voor uw eigen veiligheid.”

“Ja. Ik heb bij het uitgaan een paar keer meegemaakt dat er geschoten werd, ook op mij. Eén keer ging het om een meisje. Met een alarmpistool kun je mensen schrik aanjagen. Ik wilde niet iemand doden.”

“Dat is u geraden ook. Het kwam pas in de auto bij u op om die chauffeur te beroven?”

Richard knikt. “Ik heb die man inmiddels een brief geschreven”, zegt hij zacht. “Ik denk dat hij er nogal onder moet lijden. Ik hoop nog een gesprek met hem te hebben als ik vrij ben.”

Het klinkt redelijk oprecht, al weet je nooit zeker of dergelijke zinnen niet door de reclassering of de advocaat zijn ingefluisterd.

“U liep niet zomaar weg”, houdt de rechter hem voor, “maar u loste ook nog een schot.”

“Dat was van schrik. Ik heb er niet over nagedacht.”

“U dacht: als ik schiet, blijft hij wel weg.”

“Ik wou snel naar huis toe.”

Daar lag zijn moeder te slapen. De vrouw die Richard altijd wel weer een tientje toestopte als hij blut was. En Richard maakte er een gewoonte van om snel blut te zijn. Een poosje geleden had hij van zijn oma 19.000 gulden geërfd. Vier mille gaf hij aan een zusje, want egoïstisch is hij niet, en de rest gooide hij in twee maanden over de balk.

Richard is de jongste van vier kinderen. Toen hij elf was, ging hij met de andere kinderen en moeder naar Nederland - vader bleef achter in Paramaribo. Hij deed het goed op de LEAO, maar op de MAVO waren zijn prestaties zwak door een gebrek aan inzet. Hij moest een baantje nemen in een winkel voor huishoudelijke artikelen. Lang hield hij het er niet vol, omdat hij, zoals hij tegen de reclassering zei, ,niet geïnteresseerd was in de produkten'.

De rechter kijkt hem bestraffend aan als hij deze formulering uit het reclasseringsrapport voorleest. “Ik dacht bij deze zin: dit is een verwend jongetje dat alleen mooie kleren wil kopen. Maar u heeft het niet voor het uitkiezen.”

“Dat heb ik gemerkt.”

Richard werd na twee maanden militaire dienst afgekeurd - hij was vaak ziek - en bij het Jeugdwerkgarantieplan werd het ook al niets met hem. “Ik voelde me daar gediscrimineerd”, legt hij uit. “Die leider had het steeds over zwarten.”

“Hoe doet u dat in de toekomst als u zoiets overkomt?”

“Me rustig houden, vragen waarom hij zoiets zegt.”

“Ja, want zo hou je een baan nooit lang, als je om het minste of geringste wegloopt.”

Uit de rapportages van de reclassering en de psychiater komt Richard naarvoren als een vriendelijke, beleefde, weinig weerbare en zéér kinderlijke jongen. In dat grote lijf van hem tikt het hart van een moederskindje.

“Tijdens de detentie is hij vooruitgegaan”, zegt een mevrouw van de reclassering. “Hij heeft beter voor zichzelf leren opkomen nu hij niet meer voor alles bij zijn moeder kan aankloppen. Soms helpt gevangenisstraf.” Het is niet het type opvatting waarmee je tot dusver in reclasseringskringen snel carrière kon maken.

Richard knikt instemmend. Hij zegt met enige triomfantelijkheid: “Toen ik pas gevangen zat, kocht ik van al mijn geld snoep. Maar nu koop ik brood!”

De officier van justitie, mevrouw mr. J. van Spanje, wil Richard nog wel even in de gevangenis houden. “Die taxichauffeur zal er nog lang last van hebben”, zegt ze. “Veel chauffeurs houden er om deze reden mee op.” Ze vindt onbetaalde arbeid een te milde straf, gezien de ernst van het delict. Haar eis: een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf voorwaardelijk.

De advocaat, mr. J. Gaasbeek, vindt het te zwaar. “Hij komt uit een beschermd milieu, daarom is het niet goed als hij te lang in de gevangenis zit. Toen hij het delict pleegde, was hij geestelijk nog een kind. Geef hem een straf in de geest van het kinderrecht.”

“Wat vindt u van onbetaalde arbeid?” vraagt de rechter.

“Dat vind ik niet erg”, zegt Richard. “Je went aan een werkomgeving, daarna kan ik serieus naar werk gaan zoeken.”

(Het vonnis, twee weken later: 240 uur onbetaalde arbeid plus een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams