Bijna-ergernis over bijna-koket toneel over aids

Voorstelling: Philoktetes-Variaties van John Jessurun, Heiner Müller, André Gide. Concept: Ron Vawter, Jan Ritsema. Regie: Jan Ritsema. Vormgeving: Herman Sorgeloos. Spel: Ron Vawter, Viviane de Muynck, Dirk Roofthooft. Gezien: 3/3, Lunatheater, Brussel. Nog te zien: aldaar 10,11,12/3. Daarna Europese tournee. In Brakke Grond, Amsterdam, 15-21/6.

De Amerikaanse acteur Ron Vawter heeft aids. Daardoor laat hij zich, net als de onlangs overleden Britse filmer Derek Jarman, leiden in zijn werk. Vorig jaar juni was hij hier als solist te zien in het dubbelportret Roy Cohn/Jack Smith, twee in alle opzichten aan elkaar tegengestelde homoseksuelen die in de jaren tachtig aan aids overleden. Vawter speelt een rol in Jonathan Demmes, hier nog uit te brengen Philadelphia, de eerste Hollywood-speelfilm over aids. Hij zal dit jaar nog optreden in Susan Sontags enscenering van Becketts Happy Days, dat in metaforische zin ook over aids zou kunnen gaan en dat ongetwijfeld ook doen zal. Hetzelfde geldt voor Philoktetes, een co-produktie voor toneel van Brusselse Kaaitheater, het Berlijnse Hebbel-Theater en het Nederlandse Felix Meritis en het Holland Festival.

Ieder woord in de voorstelling gaat over de dood van de titelheld - en omdat die gespeeld wordt door Vawter, is die rol het toppunt van persoonlijk engagement. Wat anders toch min of meer vrijblijvende abstractie zou zijn, een wijsgerige bespiegeling, wordt louter door de vertolking van Vawter harde realiteit. Hij heeft aids, is éen van de zeldzame (Amerikaanse) acteurs die dat niet onder stoelen of banken steekt en hij toont in Philoktetes bijna gretig zijn door huidaandoeningen ontsierde, stakkerige lichaam.

In dat 'bijna' schuilt de kracht van deze verbluffende voorstelling. Vawters optreden is bijna koket, bijna gênant, bijna larmoyant, hij wordt, verzekerd als hij zich weet van meelevende aandacht, bijna overmoedig - en mutatis mutandis ontstaat er bijna ergernis. Maar juist omdat hij de grenzen van het draaglijke tart zonder ze te overschrijden, is Philoktetes spannend en gevaarlijk, schrijnend en verdrietig, maar ook relativerend en, vooral in het laatste deel, opmerkelijk luchtig.

Alles is veelzeggende metafoor in de mythe van Philoktetes. Hij is de houder van de beroemde boog met giftige pijlen van Herakles. Op weg naar Troje wordt hij in zijn voet gebeten door een giftige slang; de wond verspreidt een zo ondraaglijke stank dat hij op aandringen van Odysseus wordt achtergelaten op het onbewoonde eiland Lemnos. Hij leidt er al jaren een kommervol bestaan, als Odysseus en Neoptolemos hem opzoeken om zijn miraculeuze pijlen en boog te bemachtigen.

Op dat moment beginnen in de voorstelling drie variaties - van John Jessurun, Heiner Müller en André Gide - op de enige bewaard gebleven Philoktetes-tragedie, van Sophokles. Het zijn variaties op een onafwendbare dood, bij Jessurun (speciaal voor deze voorstelling geschreven) en Müller (1968) letterlijk en veroorzaakt door toedoen van anderen, bij Gide (1899) op indirectere wijze, met uitzicht op het paradijs waarin Philoktetes zijn vruchteloze streven naar deugdzaamheid overwint en werkelijke vrijheid zal kennen. Alledrie variaties behandelen het bedrog en verraad van Odysseus (gespeeld door Viviane de Muynck) en Neoptolemos (Dirk Roofthooft), de vertwijfeling daarover van de laatste en het slachtofferschap van Philoktetes, dat hem al ver voor zijn dood buiten het leven plaatst.

Drie kleine houten podia verbeelden Lemnos; op het middelste, het neutraalste, wordt de Engelse tekst van Jessurun gespeeld, op het linkse, bestaand uit een bak met bloed, de Duitse van Müller en op het rechtse, gedomineerd door een open lijkkist, de Franse van Gide. Prachtige video- en filmfragmenten van Leslie Thorton illustreren op twee grote projectieschermen het spel met beeldvullend, beweeglijk bloedplasma en het beeld van een zwevende, zwangere vrouw die later plaats maakt voor de aangetaste benen van Vawter en een skelet-achtige schim.

Jessurun wordt bijna zakelijk afgehandeld, Müller bijna pathetisch en Gide bijna olijk en baldadig - weer dat bijna. In de laatste versie gedraagt Vawter zich als de onmogelijke Jack Smith uit zijn vorige voorstelling, volkomen onaangepast, dwingelanderig tegenover de anderen, koket poserend in zijn lijkkist. Die benadering fungeert als een uitlaatklep. Want Müllers versie doet pijn, op compromisloze wijze; Vawter geeft zijn tekst aan de Muynck, die een onberispelijke voordracht ten beste geeft, terwijl hijzelf, zijn magere benen bungelend in het bloed, onmachtig terzijde zit. Hij huilt van woede, maar na afloop neemt hij breedlachend het applaus in ontvangst. Zie maar waar schijn en werkelijkheid beginnen en ophouden. Vawter is een toonbeeld van strijdbaarheid.

    • Pieter Kottman