Arbeidsbureaus nieuwe stijl zijn effectiever op de arbeidsmarkt

Minister De Vries (Sociale Zaken) heeft aangekondigd dat een onafhankelijke commissie het bestuur en de werking van de arbeidsbureaus gaat evalueren. De arbeidsbureaus worden sinds 1991 behalve door de overheid ook door vakbeweging en werkgevers bestuurd. De bureaus werken effectiever, maar 'de politiek blijft zich te veel met ons bemoeien'.

Het winkelpand aan het Woenselseplein in Eindhoven onderscheidt zich in vrijwel niets van een modern uitzendbureau. De deuren zijn van glas, de ruimte is gevuld met speels opgestelde bureaus, met daarop computerterminals. Loketten en balies zijn er niet te vinden, er hoeven geen nummertjes te worden getrokken, de sfeer is ontspannen. Zo zien alle veertien vestigingen van de Arbeidsvoorziening in Zuidoost-Brabant er tegenwoordig uit, vertelt regionaal directeur mr. J. Bekema. “We hadden hier drie grote arbeidsbureaus, een in Valkenswaart, een in Weert en een in Eindhoven. Nu hebben we geen grote gebouwen meer, alleen maar dit soort vestigingen met maximaal een stuk of tien medewerkers, steeds in combinatie met het uitzendbureau Start. Daarnaast is er een regionale centrale met een dertigtal mensen.”

Deze metamorfose is het directe gevolg van de 'tripartisering' van 1991, de operatie waarbij de arbeidsbureaus werden losgemaakt van de rijksoverheid en onder het gezag werden geplaatst van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA), een orgaan dat wordt geleid door vertegenwoordigers van de overheid en van werkgevers- en werknemersorganisaties. Onder de CBA-koepel opereren 28 regionale besturen (RBA's), die elk ook weer op tripartite basis zijn samengesteld, en die veel meer dan voorheen een grote mate van zelfstandigheid hebben bij de uitvoering van hun taak: de arbeidsbemiddeling van werkzoekenden.

Drie jaar zijn er verlopen sinds de 'tripartisering' en hoewel de werkloosheid er niet lager door is geworden - het laatste jaar zelfs alleen maar hoger - is de wijze waarop de arbeidsbureaus opereren op veel plaatsen sterk veranderd. “De deconcentratie die u in Eindhoven heeft gezien, weerspiegelt een landelijke tendens,” zegt CBA-voorzitter Rients de Boer. “De RBA's worden een soort filiaalbedrijven. Dat gebeurt niet overal in dezelfde mate, maar toch. Een sprekend voorbeeld is Amsterdam. Vroeger moesten al die duizenden werkzoekenden naar dat ene gebouw aan het Singel. Nu zit er in elke deelgemeente een vestiging.” De filosofie achter deze ontwikkeling is simpel: marktgerichtheid. Vooral gedurende de jaren tachtig waren er grote klachten over de arbeidsbureaus, die toen nog onder het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vielen. Het waren voornamelijk registratiefabrieken, en dan nog slechte ook. Mensen aan werk helpen, dat lukte maar nauwelijks, en werkgevers met vacatures hoefden niet te verwachten dat het arbeidsbureau hen met het vervullen daarvan veel verder zou helpen. De beste manier om dat te veranderen was om werkgevers- en werknemersorganisaties zèlf bij de arbeidsvoorziening te betrekken, zo besloot het rijk ten tijde van de grote privatiseringsgolf.

Het was hier een janboel”, vertelt mr. Bekema, regionaal directeur van Arbeidsvoorziening Zuidoost Brabant. “En dat gold voor alles: het financieel beheer, het personeelsmanagement, noem maar op. In de bemiddeling was men alleen maar gericht op het aanbod, op de werkzoekenden, en niet op de vraag vanuit de werkgevers.” Het was RBA-bestuursvoorzitter Van den Brand, afkomstig van Philips, die de bezem door de organisatie haalde. Hij kwam met het idee van een bedrijfsmatige opzet, waarbij de belangrijkste taken van de arbeidsbureaus werden ondergebracht in een drietal divisies: een voor de directe bemiddeling, een voor de trajectbemiddeling (de begeleiding van langdurig werklozen), en een voor projectbemiddeling. Deze laatste activiteit omvat het overleg met branche-organisaties over structurele knelpunten op de arbeidsmarkt en het opzetten van scholingspojecten om die knelpunten op te lossen. Zoals gezegd ruilde men de grote kantoren in voor kleine; bovendien kregen de medewerkers de opdracht veel meer tijd te besteden aan het bezoeken van bedrijven en het binnenhalen van vacatures.

Het gevolg van deze verjongingskuur is dat nu de helft van alle vacatures in de regio bij Arbeidsvoorziening wordt aangemeld, tegen 30 procent vóór de tripartisering; terwijl de arbeidsbureaus in Zuidoost Brabant nu 26 procent van alle vervulde vacatures voor hun rekening nemen, tegen een schamele 16 procent drie jaar geleden. Bekema blaakt dan ook van zelfvertrouwen. “Dit jaar willen we ons marktaandeel opschroeven naar 28 procent.”

Ook landelijk gezien tonen de cijfers aan dat de arbeidsbureaus inderdaad effectiever opereren dan een jaar of drie geleden. Terwijl de totale vacaturemarkt tussen 1990 en 1993 daalde van 863.000 naar 541.000, hielden de bureaus het aantal bij hen aangemelde vacatures op peil (rond de 250.000). Met andere woorden: bestreek arbeidsvoorziening in 1990 nog geen 30 procent van de vacaturemarkt, nu is dat bijna de helft. Tegelijkertijd ging de vervullingsquote (het percentage van de aangemelde vacatures dat de arbeidsbureau wisten te vervullen) omhoog, van 56 naar 65 procent. Door de optelsom van beide effecten kon het marktaandeel - net als in Eindhoven - landelijk toenemen naar rond de dertig procent, vrijwel een verdubbeling.

In een interne analyse heeft CBA-voorzitter Rients de Boer onlangs een uitgerekend hoe de prestaties van de arbeidsbureaus zouden zijn geweest bij ongewijzigd beleid. Nu wisten ze in 1993 in totaal 167.000 vacatures te vervullen; als het marktaandeel sinds 1990 niet was verbeterd, zouden dat er de helft, 80.000, minder zijn geweest. Volgens De Boer's analyse zouden met name de zwakkere doelgroepen in het bestand van werkzoekenden - de vrouwen, minderheden en langdurig werklozen - veel minder kansen hebben gehad. Hij beschouwt dit 'bewijs van het tegendeel' dan ook als een krachtig argument voor de centrale filosofie van de Arbeidsvoorziening-nieuwe-stijl, samengevat in de term 'slipstream-benadering'. De redenering daarachter is simpel: als de arbeidsbureaus een groot marktaandeel op de vacaturemarkt veroveren, en erin slagen de kandidaten te leveren waar werkgevers behoefte aan hebben, zullen ze ook beter in staat zijn om zwakke groepen - in het kielzog van de kansrijke werkzoekenden - aan banen te helpen. De Boer: “Die benadering blijkt dus hout te snijden.” Helemaal volgens de verwachtingen gaat dat trouwens niet. CBA's eigen cijfers laten zien dat in 1993 minder langdurig werklozen en minderheden aan werk werden geholpen dan de arbeidsbureaus zich ten doel hadden gesteld (84 respectievelijk 96 procent van de eigen taakstelling); bij vrouwen haalde men betere resultaten (111 procent van de taakstelling).

Desondanks moet men het De Boer nageven: terwijl de vacaturemarkt tussen 1990 en 1993 met bijna 40 procent afnam, wisten de arbeidsbureaus de aantallen geplaatste vrouwen en allochtonen te verhogen. Het CBA en de RBA's vinden dan ook dat de Tweede Kamer en het ministerie van Sociale Zaken zich wat al teveel focussen op de taakstellingen. Vorig jaar klonk uit Haagse kringen en vanuit de Algemene Rekenkamer kritiek op het feit dat Arbeidsvoorziening er niet in zou slagen in 1994 de zogenoemde 'evenredigheidsdoelstelling' te halen. Die doelstelling houdt in dat de percentages geplaatsten uit de verschillende doelgroepen overeen moeten komen met het aandeel van die groepen in het bestand van werklozen. Met name bij de langdurig werklozen is dit echter een groot probleem. Zij vormen de helft van het werklozenbestand, maar niet meer dan 20 procent van het aantal geplaatsten. De Boer: “Zelfs bij de teruglopende arbeidsmarkt hebben we de de aantallen geplaatste langdurig werklozen op peil kunnen houden. Zo'n 30-32.000 vinden jaarlijks via ons werk. We weten echter niet goed hoe we dit aantal verder kunnen opvoeren.”

Een belangrijke handicap is dat een flink deel van de langdurig werklozen met problemen als verslaving, psychische stoornissen of een absoluut gebrek aan opleiding kampt. Zelfs langdurige en intensieve begeleiding kan niet altijd voldoende soelaas bieden. Om te voorkomen dat zij geleidelijk aan aan de aandacht ontsnappen - zoals nu nog vaak gebeurt - proberen de arbeidsbureaus overal in den lande nu samenwerkingsverbanden met gemeentelijke sociale diensten op te zetten. Dat gaat vooralsnog hortend en stotend. Op veel plaatsen stelt de samenwerking nog niet veel voor. Een van de meest vooruitstrevende modellen is wederom dat van Eindhoven, waar het RBA deze zogenoemde 'trajectbemiddeling' van langdurig werklozen aan de gemeenten heeft uitbesteed. Om hen te ondersteunen heeft het RBA 23 medewerkers bij de sociale diensten gestationeerd; per geplaatste langdurig werkloze ontvangt de gemeente een bedrag. Dat dit model misschien wel werkt, moge blijken uit het feit dat het RBA Zuidoost Brabant zijn taakstelling voor deze groep in 1993 ruimschoots wist te halen.

Ook op andere gebieden begint de samenwerkingsgedachte terrein te winnen. Sinds eind vorig jaar zijn op enkele plaatsen bij arbeidsbureaus loketten ingericht waarachter geen RBA-medewerkers, maar medewerkers van het GAK zitten. Degenen die recht hebben op een WW-uitkering, kunnen die daar aanvragen en zich meteen als werkzoekende laten inschrijven. Tot nu toe moeten zij langs twee loketten, nu langs één. Verder hebben RBA's overal in het land convenanten gesloten met regionale branche-organisaties. Ze overleggen over de ontwikkeling van de vraag naar personeel en proberen via scholing van werklozen op de toekomstige behoefte in te spelen. Er zijn inmiddels al tientallen van dit soort convenanten gesloten.

Tenslotte begeven sommige RBA's zich ook op het gebied van de outplacement. Ook in dit opzicht speelt het RBA Zuidoost-Brabant een voortrekkersrol. Het organiseerde de herplaatsing van grote aantallen ontslagen DAF-medewerkers en slaagde erin in 9 maanden tijd 925 van de 1125 betrokken weer aan werk te helpen (helaas werden 115 van hen na korte tijd toch weer werkloos). Ook bij Nedcar, waar in diverse vestigingen in Brabant en Limburg 176 mensen moesten vertrekken, organiseerde de 'herplaatsingsservice' van het RBA Zuidoost Brabant een outplacement-project, ditmaal samen met het commerciële bureau Flexconsult. Na driekwart jaar hadden 119 mensen onderdak gevonden in een andere baan.

Al met al heeft de tripartisering dus nogal wat nieuw elan opgeleverd, vooral door de verbetering van de prestaties in de gewone bemiddeling, die van niet-werkloze werkzoekenden en kortdurende werklozen. Directeur Bekema van het RBA Zuidoost-Brabant meent zelfs dat zijn marktpositie bij de werkgevers in de regio nu zó goed is, dat zij van harte bereid zouden zijn om voor de dienstverlening van het arbeidsbureau te betalen. “Binnen twee jaar zouden we de directe bemiddeling op marktconforme basis kunnen doen,” beweert hij. Het is een opmerking met een politieke achtergrond, zo blijkt. Het budget dat het rijk voor de arbeidsvoorziening ter beschikking stelt (in 1994 een kleine 1,7 miljard gulden) krimpt, in ieder geval in reële termen. Die trend dwingt de RBA's na te denken over extra bronnen van inkomsten, bijvoorbeeld uit nieuwe activiteiten als outplacement, maar ook door uitbreiding van de dienstverlening. “Je zou bijvoorbeeld kunnen denken aan het verzorgen van sollicitatiegesprekken,” zegt Rients de Boer. “Dat zou een activiteit zijn die buiten ons standaardpakket - dat op grond van de wet gratis moet blijven - zou vallen.” De CBA-voorzitter meldt dat binnenkort een interne discussie zal worden georganiseerd over de vraag tot hoever dit soort commerciële activiteiten van de RBA's kunnen en mogen gaan. “Het gaat die kant op, ja, maar het zal altijd beperkt blijven,” zo probeert hij bij voorbaat al mogelijke klachten over concurrentievervalsing de pas af te snijden.

Eén ding is er sinds de tripartisering niet beter op geworden, en dat is de verhouding met de rijksoverheid. 'De politiek bemoeit zich teveel met ons, stelt ons allerlei eisen,' zo valt bij veel RBA-directeuren te beluisteren. Met name de werkgeversorganisaties in het CBA-bestuur hebben al verschillende keren het dreigement laten horen dat ze zich weer uit de arbeidsvoorziening zullen terugtrekken, vertelt voorzitter Rients de Boer. “Dat komt doordat de overheid ons via wat ik 'U-bocht wetgeving' noem voortdurend probeert om ons verplichtingen op te leggen.” Daarbij gaat het onder andere om de nieuwe Organisatiewet Sociale Verzekeringen, die uitgaat van een nauwe samenwerking tussen arbeidsbureaus en bedrijfsverenigingen. Verder dreigt in de voorgenomen Herinrichting Algemene Bijstandwet gedetailleerd te worden vastgelegd hoe Arbeidsvoorziening met de Gemeentelijke Sociale Diensten moet samenwerken, en wil het rijk dat de arbeidsbureaus nadrukkelijker worden ingeschakeld bij het plaatsen van gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Het CBA en de RBA's vinden dat ze hiermee in hun nieuw-verworven onafhankelijkheid worden aangetast. De Boer: “De Arbeidsvoorziening dreigt zo gedegradeerd te worden tot een uitvoerder van overheidsbeleid, en de werkgevers- en werknemersorganisaties voelen zich door dit gedrag gedeklasseerd als bestuurspartners.” De CBA-voorzitter wijst erop dat de OESO, de organisatie van de westerse industrielanden, het tripartite model ooit 'stoutmoedig' noemde (en vindt dit orgaan dan ook de meest aangewezen instantie voor het uitvoeren van de evaluatie die eind dit jaar van start moet gaan). Hij waarschuwt een volgend kabinet alvast: “Als deze organisatie door het terugtrekken van werkgevers en werknemers klapt, dan valt de arbeidsvoorziening weer terug in zijn oude, bureaucratische verleden.”