Voor Berthold Goldschmidt komt het grote succes pas zestig jaar na de naziterreur; 'Na vlucht in 1935 viel er niets meer te verliezen'

Berthold Goldschmidt: Der gewaltige Hahnrei, Mediterranaen Songs door Rundfunchor Berlin en Deutsches Symphonie-Orchester Berlin o.l.v. Lothar Zagrosek m.m.v. Roberta Alexander, Robert Wörle, Michael Kraus, Claudio Otelli, Helen Lawrence. DECCA 440 850-2.

Terwijl het rechts extremisme overal in Europa opduikt, begon het platenlabel DECCA onder de noemer 'Entartete Musik' aan een serie cd's met muziek van componisten die door de nazi's werden verguisd, verbannen of vernietigd. Vorig jaar kwamen twee opera's uit 1927: Jonny spielt auf van Krenek en Das Wunder der Heliane van Korngold. Onlangs verscheen de derde 'verboden' opera: Der gewaltige Hahnrei uit 1932 van Berthold Goldschmidt.

Deze joods-Duitse componist en dirigent, die in 1903 in Hamburg werd geboren en in 1935 naar Engeland vluchtte, is op zijn 91ste nog springlevend. Hij heeft actief meegewerkt aan de cd-opname zijn van opera, die gebaseerd is op Le Cocu Magnifique van Fernand Crommelynck. Goldschmidt zelf bewerkte dit absurdistische toneelstuk over ziekelijke jaloezie tot een libretto.

Het verhaal gaat over de dichter en dorpsschrijver Bruno die zijn toegewijde echtgenote Stella dwingt tot ontrouw, zodat hij tenminste zeker kan zijn van een reden voor zijn hopeloze jaloersheid. Bij dit verhaal componeerde Goldschmidt muziek die verwantschap vertoont met het werk van uiteenlopende componisten als Berg, Hindemith, Janácek, Prokofjev en Sjostakowitsj, maar die tegelijkertijd volkomen uniek en eigenzinnig is. Der gewaltige Hahnrei ging in 1932 met veel succes in Mannheim in première om vervolgens zestig jaar lang in het niets te verdwijnen.

Maar bij de eerste concertante uitvoering van de opera in 1992 in Berlijn, viel Goldschmidt een staande ovatie ten deel. Der gewaltige Hahnrei werd door de internationale muziekpers tot meesterwerk verklaard. Sindsdien reist de componist door heel Europa om zijn muziek toe te lichten. Volstrekt helder en met een geamuseerde onverstoorbaarheid vertelt hij in een Amsterdams hotel over het leven in de Republiek van Weimar, zijn compositielessen bij de 'liberale' Schreker en zijn ontmoetingen met de 'orthodoxe' Schönberg en de 'geniale en virtuoze' Busoni.

Goldschmidt stelt echter ook strenge vragen: “Heeft u de tekst van Der gewaltige Hahnrei wel goed gevolgd? Dat is essentieel om mijn opera te kunnen begrijpen. De muziek is gelukkig getrouwd met de woorden, de zinnen zijn letterlijk gecomponeerd. Terwijl de solisten hun melodieën zingen, echte melodieën in mijn geval, geeft het orkest de diepere dimensie van Crommelyncks tekst weer. Heeft u dat begrepen? De muziek beweegt zich snel, volgt de dramatische ontwikkelingen op de voet.

“Nu ik oud ben vind ik het ongelooflijk dat ik Le Cocu als jongeman van nog geen 30 met zoveel psychologisch inzicht kon componeren. Ik wil er nog steeds geen noot aan veranderen. Het thema van de hanige jalouzie was me destijds dan ook op het lijf geschreven. Mijn beste vriend was er met mijn bijzonder mooie en intelligente geliefde vandoor gegaan.”

In 1925 trok Goldschmidt voor de eerste keer de aandacht als componist met een uitvoering van zijn Eerste strijkkwartet in aanwezigheid van Pfitzner, Busoni en Schönberg. Na afloop kwam Schönberg hem feliciteren. “Hij verwachtte dat ik zou vragen of ik nu bij hem verder mocht studeren. Maar ik zei alleen 'Dank u, professor'. Alle leerlingen van Schönberg componeerden hetzelfde, terwijl Schreker de individualiteit van zijn leerlingen respecteerde.

“Toen Schönberg jaren later in Los Angeles mijn naam op een programma tegenkwam, moet hij uitgeroepen hebben: 'Goldschmidt, Goldschmidt: alwéér zo een die niet in mij geloofde!' Daar had hij gelijk in, want ik heb me altijd afzijdig gehouden van de dodecafonie, die ik veel te cerebraal vind. Ik moet niets hebben van seriële techniek, electronica en alle andere avantgarde. Busoni zei tegen me: 'Vergeet nooit de melodie, zelfs niet als je contrapunt schrijft.' Ook voor mij bestaat muziek in de eerste plaats uit melodieën.”

Na zijn studie verdiende Goldschmidt de kost als repetitor, orkestpianist en celestaspeler. Hij nam deel aan de première van Schönbergs Gurrelieder en Bergs Wozzeck, en hij werkte als huiscomponist en assistentdirigent van Karl Böhm in Darmstadt. Daar componeerde hij in negen maanden Der gewaltige Hahnrei. Bij de première in 1932 werd Goldschmidt uitgeroepen tot 'een van de grote beloftes voor de Duitse muziek'. Ook als dirigent had hij succes, in 1931 werd hij uitgenodigd om het beroemde Orkest van Leningrad te dirigeren.

In Moskou ontmoette Goldschmidt de vier jaar jongere Sjostakowitsj, die hem op zijn hotelkamer bezocht: “Wilt u kaviaar en wodka? vroeg ik hem, want dat was het enige waaraan ik mijn roebels kwijt kon. Maar Sjostakowitsj wilde warme chocolademelk, een luxe die alleen rijke Westerlingen zich konden permitteren. Hij sprak geen woord Duits, maar hij had een vriend meegenomen die alles vertaalde. Hij was erg geïnteresseerd in mijn opera, want ook in Moskou was Crommelyncks toneelstuk met veel succes opgevoerd.

“Sjostakowitsj werd helemaal wit toen ik vertelde dat ik met plannen rond liep om Leskovs Lady Macbeth van Mtsensk te componeren. 'Maar mijnheer', stamelde zijn vriend onthutst, 'daar heeft Dmitri een opera bij geschreven.' Ik barstte in lachen uit, en zei dat ik het dan maar moest laten. Nu wordt mijn muziek wel eens met het werk van Sjostakowitsj vergeleken. Die overeenkomst is puur toeval, want we hadden nauwelijks iets van elkaar gehoord. We componeerden beide in de stijl van onze tijd, net zoals Haydn en Mozart in de stijl van hun tijd componeerden en toch verschillend klinken.”

In 1935 werd Goldschmidt opgeroepen door de Gestapo. Zijn leven werd gered, omdat de officier die hem ondervroeg een groot muziekliefhebber was. “Probeer zo snel mogelijk het land te verlaten”, siste de SS-er en sloot Goldschmidts dossier. De componist vluchtte naar Londen, waar hij pianoleraar werd en in stilte bleef componeren. In 1944 kreeg hij een baan bij de BBC, waar hij 'verloren' artiesten als Toscanini, Schnabel en Hubermann, en verguisde componisten als Mendelssohn en Mahler programmeerde.

In 1947 werd Goldschmidt koorrepetitor bij de Glyndebourne Opera, waar hij één keer met succes inviel voor George Szell. Daar bleef het bij, maar op het Festival of Britain in 1951 won Goldschmidt een prijs met Beatrice Cenci, zijn tweede opera op teksten van Shelley. Van de beloofde uitvoering kwam niets terecht: Goldschmidt werd voor hopeloos ouderwets versleten.

Opnieuw raakte Goldschmidt in de vergetelheid, totdat hij in 1960 de première dirigeerde van de uitvoeringsversie van Mahlers onvoltooide Tiende symfonie, waaraan hij samen met Deryck Cooke had gewerkt. Simon Rattle propageerde zijn werk en bracht daarmee weer de belangstelling voor Goldschmidt op gang.

Op de vraag of hij in al die jaren van miskenning niet zijn geduld verloor, antwoordt Goldschmidt laconiek: “Na 1935 viel er niets meer te verliezen. Ik ben altijd blijven componeren. Nu zal DECCA ook mijn Vioolconcert, mijn Celloconcert en mijn Klarinetconcert op cd uitbrengen. Opera's zal ik nooit meer schrijven, want dat is op mijn leeftijd veel te uitputtend. Op dit moment componeer ik een Franse liederencyclus op teksten van Clément Marot, Paul Eluard en Robert Desnos. Die dichters omspannen de middeleeuwen tot en met de 20ste eeuw. Op mijn leeftijd voel ik me rijp voor zo'n overzicht.”

    • Wenneke Savenije