Verbijsterend hoge zang van drie tenoren in Otello van Rossini

Voorstelling: Otello van G. Rossini door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Gianluigi Gelmetti m.m.v. o.a. Chris Merritt, Lella Cuberli, William Mateuzzi, Frode Olsen en Scot Weir. Decors: Margherita Palli; kostuums: Rudy Sabounghi; regie: Luca Ronconi. Gezien: 5/3 Kon. Muntschouwburg Brussel. Herhalingen: 8, 10, 13, 16, 19, 22, 24, 27/3.

Na de recente reeks uitstekende concertante uitvoeringen van Verdi's Otello (in Amsterdam met Charlotte Margiono als een fantastische Desdemona) komt de Brusselse Nationale Opera nu met Rossini's Otello, geënsceneerd door de beroemde Italiaanse regisseur Luca Ronconi. De tragische opera dateert uit 1816, hetzelfde jaar waarin ook de première viel van de vrolijke Il barbiere di Siviglia, nu in Amsterdam te zien bij de Nederlandse Opera.

In de noten zijn soms sterke overeenkomsten te beluisteren, maar in Otello overheerst de serieuze ondertoon, soms overgaand in een heftige dramatiek die vooruitloopt op het werk van Bellini en Donizetti. Otello is vooral interessant als een typisch overgangswerk van een 24-jarige componist tussen de barokopera en de latere Italiaanse 19de eeuwse belcanto-stijl. Otello dateert uit de nadagen van de hegemonie der castraten: de bezetting kent drie hoge tenorrollen maar ook een sopraan, de Barbier heeft slechts een mezzo.

Naast die moeilijk te realiseren bezetting heeft ook het nu in onze ogen al te gewone libretto de populariteit van Rossini's Otello verminderd, iets waartegen deze produktie zich teweer wil stellen. In tegenstelling tot Verdi's librettist Arrigo Boito ging zeventig jaar eerder Rossini's tekstschrijver Berio di Salsa niet uit van Shakespeare's Othello, maar van het origineel van Cinthio (1566) waarop ook Shakespeare zich baseerde.

De handeling speelt zich nu niet af op Cyprus maar in Venetië. Otello is niet zoals bij Shakespeare met Desdemona getrouwd, tussen haar en de Moorse krijgsman bestaat alleen wederzijdse liefde, geheel tegen de wens van haar vader en de Venetiaanse elite. De figuur van Cassio bestaat hier niet. De dogenzoon Rodrigo is ook op Desdemona verliefd, zodat er slechts sprake is van onderlinge rivaliteit, aangewakkerd door Jago. Zijn bij Shakespeare fascinerende hoofdrol van psychologisch manipulator is hier gereduceerd tot die van een intrigant zoals er in bijna elke opera wel een rondloopt.

Het drama dat zich bij Shakespeare afspeelt rond een Desdemona die geheel onwetend is van Otello's jaloezie op een vermeende minnaar, is hier verdwenen. Desdemona is maar al te goed op de hoogte van de rivaliteit tussen haar minnaars en van de druk van haar omgeving om niet te trouwen met Otello, de Moor, die zich in de blanke maatschappij moet invechten.

Regisseur Ronconi legt op die klasse-kwestie sterk de nadruk : Chris Merritt is als Otello zwart geschminkt, de Venetianen hebben allen hoogblonde langharige pruiken. Merkwaardig is bij Ronconi het slot met een dubbele zelfmoord: anders dan Berio's libretto voorschrijft doodt Otello Desdemona niet, zij gooit zich ten slotte in zijn dolk, waarna ook hij zelfmoord pleegt.

De produktie is er een van het typisch Italiaanse soort, bekend uit de Scala: gestileerde en geabstraheerde ouderwetsigheid uit tal van tijdperken en akelig ongeloofwaardig acteren temidden van fraai gemaakte monumentale decors. Gênant is bijvoorbeeld de tweede acte, waarin Lella Cuberli als Desdemona tussenbeide komt wanneer haar minnaars duelleren. Ze kijkt óf naar de dirigent, of naar de monitors in de coulissen met de dirigent in beeld. William Mateuzzi (Rodrigo) en Otello (Chris Merritt) hebben beiden nog nooit een zwaard in handen gehad, Cuberli gooit zich ten slotte op een trap zoals men dat in het amateurtoneel niet eens meer durft.

Ridicuul werkt de abstrahering van de gondels waarmee de personages zich naar elkaar begeven. Het zijn rijdende sokkels waarop levende standbeelden worden vervoerd: een clubje Venetianen ziet eruit als Rodins Burgers van Calais, Desdemona lijkt van een Florentijns schilderij gestapt.

De enerverende vocale uitvoering met drie, heel hoog en helder zingende tenoren en een zeer fraaie sopraan was bij de première de keerzijde van dit alles. Men kon van die duetten, terzetten en kwartetten vreselijk opgewonden raken, al riep het auditieve spektakel geen enkel gevoel op.

Vooral het optreden van Chris Merritt (die door de Nederlandse Opera is gecontracteerd voor Schönbergs Moses und Aron) is verbijsterend. Wie de zeer omvangrijke zanger met zijn bijzonder luide hoogste noten in dit virtuoze repertoire beluistert, hoort een echo van de roemruchte castraten, ooit omschreven als 'kanaries in een olifantenlijf'. Merritt veroorzaakte bij het slotapplaus enorm rumoer in de zaal: deels 'boe', grotendeels 'bravo'.

William Mateuzzi (Rodrigo) en Scot Weir (Jago) zongen met minder decibels eveneens hoogst opmerkelijk, net als Lella Cuberli: beheerst en prachtig in haar Wilgenlied.

    • Kasper Jansen