PROFESSIONAL TUSSEN DE AMATEURS

Aan het eind van het seizoen neemt hij afscheid als bondscoach van de schaatsploeg. Ab Krook, 49, een bezeten trainer die voortdurend naar vooruitgang streeft. Professional in het land van de amateurs.

Het zit er bijna op voor Ab Krook. Nog één WK. Nog één finale van de World Cup. Dan kapt hij ermee. Dan is hij zes jaar schaatscoach van de mannen kernploeg geweest. “De schaatsers hebben recht op nieuwe prikkels, een nieuwe verpakking”, zegt de man die sleur en stagnatie mijdt alsof het besmettelijke ziektes zijn. En: “Je moet zijn verdwenen voordat je geen honderd procent meer kunt geven. Hoe kun je van sporters verwachten dat ze zich voor honderd procent inzetten, als je dat zelf niet doet.”

Hij heeft zich altijd volledig gegeven. Krook kan niet eens op halve kracht. Zijn lichaam is bijna altijd in beweging en zijn hoofd rust nooit. Je kunt de bedrading op zijn voorhoofd zien pulseren. Als hij praat, vaak abstract en breedsprakig, draaien zijn gedachten alweer elders hun rondjes. Eén brok bedrijvigheid.

Want het kan altijd beter. Stilstand is achteruitgang. Op zijn hotelkamers slingeren altijd boeken. Over voedingsleer, biodynamica, trainingsmethoden. 's Zomers gaat hij altijd even langs bij de sport-hogeschool in Keulen, waar hij afgestudeerd is. Om zich over nieuwe ontwikkelingen te informeren. Voor Krook is coaching ook 'éducation permanente'.

Hij bemoeit zich met alles. Niets ontgaat hem. In de olympische hal van Hamar ruikt hij aan het water van de ijsmachines om te controleren of er niet geknoeid wordt door de Noren. Op trainingskamp in Tenerife belt hij naar de Nederlandse ambassade in Madrid om te waarborgen dat zijn schaatsers op de asfaltwegen kunnen skeeleren zonder dat ze door de politie worden gestoord. 's Avonds verzamelt hij nieuwtjes en anekdotes voor de losse kout aan het ontbijt.

Bijzaken zijn hoofdzaken voor Ab Krook. Op weg naar de top is het kunst om grote vooruitgang te boeken. Maar als je aan de top staat, en je wilt nog altijd verder, dan zul je je toevlucht in de details moeten zoeken. Slijpen en polijsten. Perfectioneren. “Om weer een stap vooruit te komen.” Zijn lievelingszin. Every inch professional in het land van de amateurs.

Dat is de paradox van de schaatssport, heeft Krook bij herhaling verklaard. Dat ze op topniveau professioneel moet worden bedreven, terwijl ze amateursport is. Hij heeft er ook nooit een geheim van gemaakt dat amateurisme en professionalisme regelmatig op voet van oorlog staan. Het liefst zou hij zien dat topsport en breedtesport ook organisatorisch binnen de schaatsbond zouden worden gescheiden. Zodat kernploegen minder zouden worden gehinderd door amateurisme van bestuurders. Amateurisme, daar gruwt Krook van.

Neem zijn opvolging die nog steeds niet is geregeld. Aanvankelijk zou hij al twee jaar geleden zijn gestopt na de Olympische Spelen van Albertville. Dan had hij er vier jaar op zitten. Dat vond hij meer dan genoeg. Maar uiteindelijk liet hij zich toch weer strikken voor een contractverlenging. Dat was uit nood geboren. De kernploeg keerde zich tegen Leen Pfrommer, de trainer van Jong Oranje, die door de schaatsbond was aangezocht als nieuwe bondscoach. Een jaar voor de Spelen in Hamar was de kernploeg leidingloos.

Krook benutte die dwangpositie van de schaatsbond om faciliteiten af te dwingen voor zijn schaatsers. Hoogtestages. “Nieuwe prikkels.” Hoe kon hij anders vervlakking voorkomen? En hij vroeg om zo snel mogelijk zijn opvolger aan te wijzen. Voor als hij er in 1994 mee zou ophouden. Definitief. Zoveel kennis en ervaring had hij opgebouwd in al die jaren. Die wilde hij overdragen, die wilde hij delen. Zodat op het fundament dat hij had gestort, zou worden verder gebouwd.

Hij had Gerard Kemkers willen inwerken als nieuwe bondscoach. De oud-schaatser met het zwabberbeen die als pupil nog onder Krook heeft gediend. Kemkers die hem vorig seizoen bij grote toernooien ook heeft bijgestaan. Maar die stap was te groot voor de schaatsbond. Terwijl Kemkers volgens Krook voor nieuw bloed had kunnen zorgen. Nu hebben de bestuurders alleen nog maar de keuze uit een inteeltkliek van oud-gedienden. Henk Gemser, van wie Krook in 1988 het bondscoachschap heeft overgenomen. Leen Pfrommer, die de functie daarvoor heeft bekleed. Vakmensen, oude rotten. Maar, om in de termen van Krook te spreken: ze brengen niks nieuws.

Terwijl er in de schaatssport nog zoveel vooruitgang is te boeken. Want al is die sport al eeuwenoud, ze staat pas in de kinderschoenen. Je ziet het aan zo'n verbetering van het wereldrecord op de tien kilometer met dertien seconden van Koss. Nieuwe materialen, andere trainingsaanpak, specialisatie, er rest nog zoveel ruimte voor scherpere tijden. Krook heeft daar wel ideeën over. Hij is nog lang niet uitgekeken. Maar hij wil weg, voordat de schaatsers op hem zijn uitgekeken. De gesel van een training is toch al steeds weer die herhaling. “Fris” en “creatief” zou het volgend seizoen moeten zijn.

Daarbij wil Krook ook niet dat de schaatsers afhankelijk van hem worden. “Want niemand is onmisbaar.” En zo heeft hij ook de kernploeg nooit geleid. De zelfstandigheid van schaatsers heeft hij steeds bevorderd. Ze moesten zelf verantwoording nemen voor hun prestaties. Dus ook voor hun training. Ze moesten weten waar ze mee bezig waren. Niet slaafs navolgen. Alleen zo konden ze volwassen omgaan met sport.

En of het nou ging om het 'leerdier' Veldkamp, net zo'n perfectionist als de bondscoach, of om 'de onschuld' Zand stra, die altijd op talent en intuïtie heeft gedijd, Krook heeft ze nooit in een keurslijf geperst. Hij heeft nooit een uniforme aanpak afgedwongen. Ook al trainden ze altijd samen, er was altijd ruimte voor individuele verschillen. Ieder had het recht zijn eigen weg te vinden. Krook hielp ze daarbij.

Zijn aanpak is onmiskenbaar succesvol geweest. Al zullen de sceptici blijven zeuren dat dat geen kunst is in een sport die bij mannen-allrounders door twee landen wordt beheerst. Onder zijn leiding won Nederland vijf Europese titels en twee wereldtitels. Bij elf van die grote toernooien stond er twintig keer een Nederlander op het erepodium.

Alleen bij de Olympische Spelen bleven de prestaties steeds achter. In Albertville was er nog de gouden medaille van Veldkamp, naast het zilver van Zandstra en de twee bronzen medailles van Visser. In Hamar moest de Nederlandse kernploeg volstaan met een keer zilver, drie keer brons. Nog altijd is Krook bezig om de oorzaken te analyseren. Waarom waren de leden van de kernploeg niet in topvorm? Hij wil leren van het verleden. Het liefst zou hij het toeval elimineren. Tegelijkertijd weet hij ook wel: “Je hebt niet alles in de hand.”

    • Dick Wittenberg