MELINA MERCOURI 1920 - 1994; Griekse Jeanne d'Arc en actrice

Op die ene rol na, van het hoertje uit Piraeus dat door een Amerikaanse professor geprotegeerd wordt in Nooit op zondag / Pote tin Kyriaki (1960), heeft Melina Mercouri nooit zo veel indruk gemaakt op het wereldtoneel als actrice. Net als Ronald Reagan had Mercouri meer succes in de politiek, waar de filmglamour van weleer haar goede diensten bewees.

Mercouri die gisteren in een kliniek in New York op 73-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van longkanker, was in werkelijkheid niet de volksvrouw met het hart van goud, maar de dochter van een minister van staat, tevens loco-burgemeester van Athene. Ze werd als Maria Amalia Mercouris geboren op 18 oktober van, naar gelang de bron, het jaar 1925, 1923 of 1920; zoals gebruikelijk wijst de meest betrouwbare bron op de vroegste datum.

Melina Mercouri stond vanaf het eind van de jaren veertig op de planken, bij voorbeeld als Blanche in Tennessee Williams' A Streetcar Named Desire en was ook in het echte leven herhaaldelijk afhankelijk van 'de vriendelijkheid van vreemden': Marcel Achard die haar naar Parijs haalde om te spelen, de Griekse regisseur Michael Cacoyannis die Mercouri in 1955 haar eerste filmrol in Stella schonk, en vooral de Amerikaan Jules Dassin, haar tweede echtgenoot, tegenspeler in en regisseur van Nooit op zondag. Dassin, een linkse theater- en filmmaker, die eind jaren veertig Hollywood verlaten moest wegens de heksenjacht op vermeende communisten, regisseerde alle beroemde Mercouri-films: Celui qui doit mourir (1957) naar Kazantzakis, La loi (1959), Phaedra (1962), Topkapi (1964) Promise at Dawn (1970) en A Dream of Passion (1978), veelal mislukte pogingen om de hese stem en het sensuele voorkomen van zijn vrouw te verbinden met de traditie van klassieke Griekse tragedies.

Dassin en Mercouri - in 1960 ex aequo met Jeanne Moreau bekroond als beste actrice in Cannes - misten beiden net een Oscar voor Never on Sunday, maar de door Manos Hadjidakis gecomponeerde en door Mercouri naar de top van de hitparade gefluisterde titelsong kreeg er wel een.

De rest van haar filmografie - onbelangrijk werk van De Sica, Losey, Foreman, Jewison en enkele anonieme sterrenparades - doet willekeurig aan. Veelal stonden de pretenties van de Dassin-films in geen verhouding tot de werkelijke kwaliteit.

Mercouri's politieke loopbaan begon met haar verzet tegen het kolonelsregime (1967-1974), die haar enige tijd het Griekse staatsburgerschap kostte. In 1977 werd ze in het kiesdistrict Piraeus gekozen tot parlementslid voor de socialistische partij PASOK van Papandreou. Van 1981 tot 1989 en sinds de verkiezingen van vorig jaar trad Mercouri op als Grieks minister van cultuur en wetenschap. In die hoedanigheid liet zij zich kennen als een fervent verdedigster van nationale en Europese waarden en als tegenstandster van het 'Amerikaanse culturele imperialisme'.

Mercouri groeide uit tot een nationaal Grieks figuur. Tot de belichaming van het “goede” Griekenland, het kunst- en vrijheidslievende, het democratische. Zij wist precies waar zij voor en tegen moest vechten, en zij deed het met alle gaves die haar ten deel waren gevallen, charme, vitaliteit, maar misschien in de eerste plaats toch acteertalent.

Lang voordat zij in de politiek ging, stond zij op het toneel, en het is haar niet kwalijk te nemen dat haar “optreden”, zowel tegen de kolonelsjunta als voor het teruggeven van de Elgin-marbles (zelf sprak zij van “het marmer van het Pathenon”) vaak iets theatraals had.

Ze had de rol van Jeanne d'Arc van Griekenland bewust op zich genomen, maar een rol zou het blijven. Reeds in de tweede alinea van haar in 1971 geschreven, opmerkelijk openhartige, autobiografie Ik ben een geboren Griekse - ook in het Nederlands vertaald - heet het: “Het zal geen bescheiden, objectief boek worden, omdat ik bescheiden noch objectief ben. En als ik het ene ogenblik een vurig hedoniste lijk en het volgende Jeanne d'Arc, dan komt dat omdat ik een hedoniste en een Jeanne d'Arc bèn. Ik moet er aan toevoegen dat ik pas in 1967 Jeanne d'Arc ben geworden. Dat was het jaar dat Griekenland door de kolonelsplaag werd geteisterd. Jeanne d'Arc is een rol die me niet ligt. In de toneel- en filmwereld waar ik mijn brood verdien, valt de rolverdeling ook niet altijd even gelukkig uit.”

In dat kiezen van die Jeanne d'Arc-rol zat echter ook een element van bekering. In haar boek beschrijft ze uitvoerig hoe ze zich gedurende de eerdere periode van Griekse onvrijheid, de Duitse bezetting van 1941 tot '44, voornamelijk overgaf aan lichtzinnige feesten en avonturen en zich verre hield van het verzet. “Ik was een parasiet, een nutteloos menselijk wezen en wanneer ik mijn leven riskeerde, riskeerde ik het voor iets futiels als een spelletje kaarten of een vrolijke avond.”

Zij groeide op in geborgenheid als kleindochter van een zeer populair Atheens loco-burgemeester, die keer op keer werd herkozen. Het was zijn machtspositie die haar aan diploma's hielp. “Niemand heeft zoveel scholen bezocht als ik, omdat niemand van zoveel scholen is afgegooid” en, twee bladzijden verder, een opvallende bekentenis voor een latere minister van cultuur: “Ik heb Zola niet gelezen. Ik heb nooit iets gelezen.”

Onbeschroomd vertelt zij ook dat haar kinderlijke sympathieën rechts en royalistisch lagen, ook nadat haar vereerde grootvader naar het liberale kamp was overgelopen, en dat ze pas begon te twijfelen toen ze tijdens de dictatuur Metaxas (1936-'40) op elfjarige leeftijd een lelijk uniform van de Jeugdbeweging aan moest. Toen had ze overigens haar eerste opvoering al gegeven, in een café dat werd onderbroken door haar binnengestormde moeder, die haar een klap gaf.

De musicalversie van Mercouri's beroemdste film Nooit op zondag liep in New York al een jaar onder de naam My darling Ilya, toen de kolonels de macht grepen in Griekenland. Kort daarna staakte Melina haar voorstellingen en riep het Amerikaanse publiek op, niet meer als toerist naar Griekenland te gaan. Dit leidde tot een - naderhand langzaam weer geheelde - breuk met componist Chatzidakis en met het regime dat haar van de Griekse nationaliteit vervallen verklaarde. “Ik ben als Griekse geboren en zal als Griekse sterven”, verklaarde zij.

Na de val van de dictatuur in 1974 keerde zij triomfantelijk in Athene terug. Zij trad toe tot de socialistische beweging van Andreas Papandreou met wie ze overigens het jaar daarop reeds moeilijkheden kreeg die tot haar tijdelijk vertrek leidden. Bij de verkiezingscampagne van 1977 stond zij succesvol kandidaat voor het tweede district Piraeus, en in een van de mooiste, maar minder bekend gebleven fases van haar leven sprong zij in de bres voor betere voorzieningen (riolering etc.) voor deze doodarme voorsteden. Haar enorme populariteit gaat tot zulke activiteiten terug.

Vijf jaar geleden werd bij haar longkanker geconstateerd, die in eerste instantie succesvol werd bestreden. Het roken heeft zij nooit opgegeven, ook niet na een nieuwe inzinking in 1992, die leidde tot haar verzuchting: “Ik betrap mij er op dat ik wel wat zie in eenzaamheid”. Haar plan, zich in een afgelegen dorp terug te trekken heeft zij echter nooit ten uitvoer gelegd. Integendeel, zij keerde na Papandreou's nieuwe verkiezingsoverwinning in oktober vorig jaar terug naar het ministerie van cultuur dat zij in de jaren tachtig reeds acht jaar lang had geleid. In Europees verband beschouwde zij zich nu als strijdster voor een nieuwe 'zaak': kunst en cultuur (“politismòs”) in te voeren in de laatste klassen van de lagere school. “Cultuur, dat is ons vermogen, ons kapitaal”.

“Ik ben niet bang voor ziekte of dood”, zei ze in een van haar laatste interviews. “Ik ben er bang voor, dat mensen niet meer van me houden”.

    • Hans Beerekamp
    • Frans van Hasselt