'Kwaliteit speelt bij bezuinigingen geen rol'

Op wetenschappelijk onderzoek dat niet in de 'onderzoeksscholen' wordt georganiseerd dreigt in Leiden fiks bezuinigd te worden. Dat betekent dat de basis voor toekomstig toponderzoek verloren gaat, vreest fysioloog prof.dr. Ph. Quanjer.

LEIDEN, 7 MAART. Het voortbestaan van zijn eigen onderzoeksproject is een grote, maar niet zijn enige zorg. “Natuurlijk wil ik wel dat het behouden blijft.” De weg die de Leidse en de zeven andere medische faculteiten zijn ingeslagen, baart de fysioloog prof.dr. Ph. Quanjer grotere zorg.

“De mode om alle onderzoek in grote onderzoeksscholen en clusters onder te brengen, en dat onderzoek onaantastbaar te maken, maakt onderzoeksgroepen daarbuiten vogelvrij.” Die worden weggesaneerd, zegt Quanjer, “terwijl ook daar de vernieuwing en de basis voor toekomstige topgroepen ligt. De huidige topgroepen zijn inderdaad vaak in onderzoeksscholen te vinden, maar daarvan weet je dat op het moment dat de top is bereikt meestal de neergang niet veraf is. Die zullen dus op een gegeven moment moeten worden vervangen, waarbij dan zal blijken dat de groepen waaruit de nieuwe excellentie in het onderzoek voort had moeten komen verdwenen zijn”, aldus Quanjer.

De fysioloog is leider van een van de onderzoeksprojecten die in de huidige bezuinigingsronde onder vuur liggen. “Project 4.3, Cardiopulmonaal gastransport en ademregulatie. Conclusie: Opheffen.” Zo staat het er in het bezuinigingsplan dat een commissie voor de Leidse medische faculteit opstelde en waarover in mei wordt beslist. Geen argumentatie, alleen de constatering van de commissie bij het overnemen van haar voorstel dat “het onderzoeksgebied Ademhaling en Gastransport uit het profiel is verdwenen.” Dat hierdoor ook de samenwerking met medische faculteit in Rotterdam wordt beëindigd heeft geen rol gespeeld in de besluitvorming.

Het advies van de commissie was voor Quanjer reden om collega-onderzoekers in binnen- en buitenland te alarmeren. Zoals wel vaker bij universitaire bezuinigingen resulteert dat in een groot aantal brieven van vakbroeders die behoud van het onderzoek bepleiten. Maar in dit geval heeft Quanjer meer te bieden.

Quanjers onderzoek behoort tot de terreinen (Cara-onderzoek) waarvoor de faculteit enkele jaren geleden extra geld kreeg op voorwaarde dat zij het project na een paar jaar zou voortzetten. Ook komt het in de laatste beoordeling van het medisch onderzoek door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen goed uit de bus. De Akademie bepleitte versterking (en verjonging) van dit volgens haar belangrijke onderzoeksterrein waarin Leiden voorop loopt.

Kwaliteit van het onderzoek speelt bij het voorstel om een aantal projecten te beëindigen nauwelijks een rol, zo erkent de commissie. Bij de meeste projecten is die boven elke twijfel verheven. “Slecht onderzoek is al bij eerdere bezuinigingsronden verdwenen”, zegt de decaan van de faculteit, prof.dr. Ph.J. Hoedemaeker. “De argumentatie voor het merendeel van de voorstellen van de commissie heeft dan ook te maken met het profiel van de faculteit.”

Het rapport van de KNAW maakt duidelijk dat de profilering, het eigen karakter van het onderzoeksprogramma, bij de acht medische faculteiten maar zeer ten dele van de grond komt. Immunologie, hart- en vaatziekten, oncologie: het zijn onderwerpen die in alle of vrijwel alle faculteiten een centrale plaats innemen, maar lang niet overal als 'goed' worden beoordeeld. 'Middelmatig' of 'onvoldoende' komt als beoordeling nog herhaaldelijk voor. Bovendien constateert de Akademie dat veel grote onderzoeksprogramma's, en dat geldt ook voor andere dan de hiervoor genoemde, als los zand aan elkaar hangen. Daarmee onderschrijft de KNAW nog een ander bezwaar van Quanjer tegen de grootschalige schoolvorming: “Het gaat vaak alleen maar om papieren constructies waaronder ook zwakke groepen kunnen schuilen en waarvan de meerwaarde beperkt is.”

Hoedemaeker erkent dat de faculteiten zich in hun onderzoeksprogrammering meer zouden kunnen onderscheiden. “Het huidige profiel wordt sterk bepaald door het onderwijsprogramma. Daarbij is nog steeds uitgangspunt dat het onderwijs op een bepaald terrein alleen door een ter plaatse aanwezige deskundige kan worden gegeven. Ik heb daar mijn twijfels over. Je kunt ook heel goed docenten voor een deel van je programma van andere faculteiten betrekken en vaak kun je, en soms ook nog wel beter, iemand die geen specialist in dat vakgebied is daar onderwijs over laten geven.”

Zover is het nog niet, en of het er ooit van zal komen is nog maar de vraag. Hoedemaeker: “Daarvoor is het nodig dat de universiteitsbesturen eens een paar dagen op de hei gaan zitten en daar afspraken maken over de koers en de positie van elke universiteit binnen het geheel. Zo lang dat niet gebeurt houdt iedereen krampachtig vast aan het bestaande om niet onderuit gehaald te worden en is het profiel vooral de uitkomst van bezuinigingen.”

Hoedemaeker: “De medische faculteit blijft krachtig, maar wel met een smaller profiel.” Voor Quanjer is dat eerste de vraag. “Er ontstaat een monocultuur, sterk gericht op de klinisch onderzoek waarbij het preklinisch onderzoek langzamerhand uit het zicht verdwijnt.”

“Hoe vervelend voor betrokkenen ook”, aldus Hoedemaeker, “psychologisch komt het eigenlijk wel goed uit dat het ziekenhuis ook bij de klinische afdelingen moet bezuinigen, anders had de nadruk wel erg op de basisvakken en en op de prekliniek gelegen.”

    • Quirien van Koolwijk